Musea zijn te gefixeerd op bezit

De bezuinigingen zijn niet het hoofdprobleem van de musea, schrijft Renée Steenbergen in een reactie op het pleidooi voor museale ethiek van Siebe Weide vorige week in CS. De noodzaak tot hervorming bestaat al langer en de tijd is er nu rijp voor.

Al meer dan tien jaar is in de museumwereld vernieuwing dringend nodig. Een nieuw gebouw, meer bezoek of geld binnenhalen zijn geen structurele oplossingen. Musea hebben een andere werkwijze en organisatievorm nodig om de urgente problemen het hoofd te kunnen bieden. En die zijn niet veroorzaakt door de actuele bezuinigingen – ze worden er alleen door vergroot.

Musea balanceren al langer tussen hun taak als collectiebeheerder en die van tentoonstellingsmaker die een steeds groter publiek moet trekken. Er is veel overheidsgeld gestoken in dure nieuwbouw – vaak met jarenlange sluiting als gevolg – terwijl de exploitatiebudgetten krimpen. Door beleidsveranderingen en de snelle wisseling van directeuren, gecombineerd met falende toezichthouders zoals recentelijk nog bij het Groninger Museum, worden structurele en financiële problemen laat onderkend. Toch weten met name de kunstmusea een breed publiek te trekken door met museumnachten en museumweekends aan te sluiten bij de vrijetijdsmarkt.

Juist dankzij dat succes heeft het museumbestel zijn eigen bestaan in gevaar gebracht. Het gevolg ervan was ongebreidelde groei – Nederland heeft de hoogste museumdichtheid ter wereld. Onderlinge afstemming was er nauwelijks, iedere gemeente wilde haar eigen museum en financierde gemiddeld 60 procent van het exploitatiebudget.

Dat gaat nu onherroepelijk veranderen. Het grootste gevaar is dat musea louter hun eigen hachje zullen redden. Zo stellen kunstmusea – 126 zijn er inmiddels volgens het CBS – eigentijdse kunst veelal centraler dan hun kunsthistorische collectie. Onder die kunstmusea bevindt zich een groeiend aantal privémusea. Binnenkort komt er weer een bij, dat van Joop van Caldenborgh in Wassenaar. Ook in de VS en Duitsland en China starten kapitaalkrachtige verzamelaars hun eigen musea in plaats van hun collectie aan een overheidsmuseum te schenken. Op die manier is vooral de afgelopen 15 jaar een nieuw soort museum ontstaan dat de collega’s vaak nog niet als volwaardige partners beschouwen.

Ten onrechte: privémusea zijn flexibel, niet verambtelijkt en kunnen snel reageren op de actualiteit. Hun stichters zijn doorgaans kapitaalkrachtig en hebben dus een sterke positie bij aankopen op de kunstmarkt.

Bovendien waardeert het publiek de persoonlijke sfeer en ontvangst. Deze nieuwkomers hebben een andere opvatting van het begrip museum. Voor velen is hun museum niet per se voor de eeuwigheid, het heeft bestaansrecht zolang het museaal iets toevoegt wat er niet was en mag op den duur best verdwijnen. En dan komen de kunstwerken weer beschikbaar – wellicht voor collega-musea.

De verschuivingen in het museale veld vragen om nieuwe samenwerkingsvormen. Te veel museumdirecteuren opereren solistisch – kennelijk bang voor concurrentie. Het belang van onderlinge samenwerking zal groeien, zeker in een klein land als Nederland. Waar blijft dat gezamenlijke ticket voor de drie musea aan het Museumplein, als ze in 2013 alle weer open zijn? Waarom kan dit wel in Berlijn, Wenen en Kopenhagen, maar niet in Amsterdam?

Afstemming is vooral belangrijk op het gebied van collectievorming. Gemiddeld staat 90 procent van de collectie in dure depots. Lang niet al dat werk is kwalitatief belangrijk genoeg om te blijven bewaren. Het ontzamelen gebeurt echter mondjesmaat, omdat het bewerkelijk is. Natuurlijk mag afstoten geldelijk wat opleveren – zorgvuldig ontzamelen kost immers tijd en personeel. De veiling van een doek van de onbekende Russische schilder Masjkov leverde het Gemeentemuseum Den Haag 3,3 miljoen euro op. Wel jammer dat daarmee weer vooral hedendaagse kunst werd gekocht.

Juist voor aankopen zijn immers nog steeds flinke bedragen op te halen. Jaarlijks zijn daarvoor tientallen aanvullende miljoen te krijgen bij het Mondriaan Fonds, de Vereniging Rembrandt, de BankGiro Loterij, het VSB Fonds en het SNS Reaal Fonds. En dat terwijl de exploitatie onder druk staat en er geen geld is voor goed relatiebeheer.

Kunstmusea zijn nog altijd sterk gericht op kopen, terwijl partnerschappen met andere musea en zeker ook met particuliere verzamelaars interessante mogelijkheden bieden. Bij verzamelaars is kunst, kennis, betrokkenheid en soms ook geld te vinden. Onlangs zei Chris Dercon, directeur van Tate Modern in Londen, in het tijdschrift Frieze dat het niet de vraag is of verzamelaars en musea moeten samenwerken, maar hoe. Verzamelaars kopen heel actueel en kunnen bruikleengevers zijn die het museum tijd geven zijn selecterende taak uit te voeren. Actuele kunst is zichtbaar voor het publiek, terwijl het museum na tien of twintig jaar beslist wat het wil aankopen – minder, maar van bezonken kwaliteit.

Het vereist een andere mentaliteit bij museumdirecties: minder fixatie op bezit en de gedachte dat de som van alle museale collecties samen groter is dan ieder museum afzonderlijk. Want hoe belangrijk is een Dumas in Gouda als dat oeuvre een half uur verderop completer te zien is in Amsterdam?

Elk tijdperk vraagt om een ander soort museum met andere manieren van financiering. Deze tijd is er een van partnerschappen: met andere musea en met liefhebbers en verzamelaars.

Renée Steenbergen publiceerde het boek ‘De Nieuwe Mecenas’ en is oprichter van het Centrum Geef om Cultuur dat zich richt op herbestemming van kunst uit privébezit.

    • Renée Steenbergen