Er schuilt intense tederheid in Beethoven

Bernard Haitink (82) voltooit deze week in het Concertgebouw zijn cyclus met de symfonieën van Beethoven. „Als ik wat gedeprimeerd ben, kan hij me telkens weer uit die somberte losbreken.”

Volgende maand wordt hij 83. Wat voor Beethoven verwacht je dan, wetend dat iemand zes decennia heeft geleefd met Beethovens symfonieën, vijf maal eerder een cyclus dirigeerde? Detailrijkdom, evenwicht, balans.

Groot was de opwinding toen de eerste helft van Bernard Haitinks Beethoven-cyclus met het Chamber Orchestra of Europe (COE) vorig jaar juist bleek te grossieren in felheid, levenslust en revolutionaire weerhaakjes.

Haitink was verguld met de positieve ontvangst, zegt hij. Maar of het ‘seniorenbravoure’ was, zoals een criticus suggereerde? Hij grinnikt erom. Nee – dat toch niet. „Natuurlijk speelt mijn leeftijd een rol. Ik ben 82, Beethovens muziek leeft al jaren met me mee. Maar hoe je muziek uitvoert, hangt ook af van praktische factoren. De zaal. Akoestiek. Het orkest. Het COE is veel kleiner dan de symfonieorkesten waarmee ik doorgaans werk. Dat zijn, hun kwaliteiten niets te na gesproken, een soort oceaanstomers die zich lastig laten manoeuvreren. Het COE is meer een slang: slank, wendbaar, het glipt door alle barrières heen. Met het Concertgebouworkest zou mijn Beethoven nu weer heel anders klinken.”

Ingewikkeld – zo mag je Haitinks lang gegroeide band met Beethoven best noemen, erkent hij. „Ik was aanvankelijk te onzeker voor zijn muziek. Met mijn eerste cyclus met het Concertgebouworkest heb ik gewacht tot midden jaren tachtig. En toen nog schreeuwde iedereen moord en brand. Haitink met Beethoven, dat wordt niks! De herinnering aan uitvoeringen onder Klemperer of Kleiber was blijkbaar zeer dominant. Maar als chef-dirigent moet je een beetje tegen de stroom in zwemmen. En het werd een behoorlijk succes, toch nog.”

Haitinks eerste Beethoven-cyclus werd opgenomen door Philips. Hij sputtert voorzichtig als hij eraan denkt. „Dat is niet om antireclame voor mezelf te maken hoor, het heeft vooral met mijn aversie tegen het hele genus van opnemen te maken. Ik heb er altijd braaf aan meegedaan, maar muziek opnemen is toch het kunstmatig bevriezen van een levende kunstvorm. Soms moet het. Met sommige resultaten ben ik zelfs blij. Maar ik zal er nooit zelf op aansturen. Gedaan is gedaan. Ik bewaar ook nooit iets. Dat heeft niets met netheid te maken, mijn vrouw is bij ons de nette.”

Denkt u dat u ooit nog een Beethoven-cyclus met het Concertgebouworkest doet?

„Nee zeg. Dat is meer werk voor de chef-dirigent, voor Mariss Jansons. En u zegt ‘ooit’, maar dan ben ik er allang niet meer.”

Opmerkelijk dat zoveel dirigenten doorgaan tot het eind.

„Ja, gek hè? Het zal een mengeling zijn van het vak niet los kunnen laten en het gevoel dat je nog iets te geven hebt. Ik hoop maar dat mijn naaste omgeving me waarschuwt als het op is, genoeg is geweest. Je wilt toch de eer aan jezelf houden en tijdig je conclusies trekken. Tot zover gaat het goed. Maar ik weet ook dat het leven je kan verrassen.”

Frans Brüggen (77), die afgelopen najaar ook een Beethoven-cyclus leidde, roemde juist de revitaliserende werking van diens muziek.

„Ja, dat herken ik. Maar wat me altijd vooral opvalt bij Beethoven, ook in alle strijkkwartetten en de pianomuziek, is hoe enorm de contrasten zijn. Het is niet allemaal Sturm und Drang, er schuilt ook een intense tederheid in die muziek. Daar moet je op letten, de contrasten moeten groot zijn.”

Heeft u voorkeuren binnen Beethovens symfonisch oeuvre?

„Nee, voor mij zijn die negen symfonieën echt een eenheid in hun ogenschijnlijke verscheidenheid, met alle eigen verdiensten. Ik voel die eenheid zo extreem dat ik het nu echt onprettig vind symfonieën separaat uit te voeren. Een cyclus is zeer opwindend om samen met een orkest te boetseren, een losse symfonie heeft mijn hart noch focus.”

Ooit noemde u de ‘Zevende’ uw lievelingssymfonie.

„Ja, God, ik ben onbetrouwbaar, hoor. Ik zeg soms dingen waarvan ik later denk: hm. Die Zevende heeft natuurlijk een enorme uitstraling, maar als je hem te veel hoort, struikel je. Dat laatste deel drijft je door de muur. Dat geldt voor meer meesterlijke muziek. Doseren! Anders wordt het routine en dan is de grap eraf.”

Heeft u wel eens gewoon geen zin?

„Het komt zeker voor. Maar dan is het juist die muziek die me bij de kraag vat en weer boven mezelf uittilt. Dat is wat me in mijn leven altijd heeft gered, eigenlijk. Met name Beethoven. Zijn laatste pianosonates, opus 90, ach... Daarin is Beethoven een groots trooster. Als ik wat gedeprimeerd ben, kan hij me telkens weer uit die somberte losbreken.”

Wat als u somber bent en er staat iets beklemmends, zeg de ‘Zevende’ van Sjostakovitsj, op het programma?

„Haha, die heb ik dan ook maar twee keer gedirigeerd. Dat was genoeg.”

U deelt die somberte wel met Beethoven, leest u graag over componisten?

„Meer uit plichtstrouw dan uit fascinatie. Ik keer altijd met dankbaarheid weer terug naar de muziek. Je wilt ook niet alles weten. We zijn allemaal mensen, er zijn altijd zorgen en teleurstellingen. Het gevaar is dat je de grote componisten gaat idealiseren, daarom is het goed wat achtergronden te kennen en hun menselijkheid niet te vergeten. Maar met mate. Ik ben geen amateurpsycholoog. Ik wil het ook niet zijn.”

Toch: de levensworsteling van Beethoven, is dat niet precies wat u zo in zijn muziek boeit?

„Ja, als je er een tentakel voor hebt, dan word je getroffen door dat menselijke, dat troostende waar ik het net over had. Maar dat zijn ingewikkelde dingen. Men heeft me pas gevraagd Bachs Hohe Messe te doen. Daar heb ik lang over gedacht, maar uiteindelijk wist ik: dat wil ik niet, dat durf ik niet. Die muziek is te groot voor me. Ik ben ook niet opgegroeid in Bachs geloofsrichting. De Matthäus Passion is wat anders. Dat is theater, geen mis.”

Een Amsterdamse ‘Matthäus’ gaat er – na het gebrek aan belangstelling voor uw passiedebuut in de VS – niet meer komen?

„Die heb ik daarom geweigerd.”

U dirigeert talrijke toporkesten in Europa en de VS. Heeft u een persoonlijke voorkeur?

„De verschillen tussen orkesten, vooral in de middenmoot, worden kleiner. Gelukkig hebben toporkesten als die in Dresden, München, Chicago of Amsterdam nog echt een eigen geluid. Maar ook het Concertgebouworkest is aan het veranderen, door het vele reizen en het aantrekken van internationale musici. In mijn tijd als chef was het een Nederlands orkest met Nederlandse musici en typisch Nederlandse eigenschappen – wat je daar ook van wilt vinden. Nu zijn het 150 fantastische musici, allen zeer verschillend van achtergrond. Het orkest staat technisch op een ontzettend hoog niveau, maar het moet oppassen niet te veel een orkest van individualisten te worden.”

U geeft nog masterclasses. Waarom?

„Bah, ik haat dat woord! Ik ben geen potentaat, ik heb plezier in het begeleiden van talent. Dus inderdaad: één keer per jaar begeleid ik vier dirigentendagen in Luzern. Ik kan die jonge collega’s niks leren, maar wel de weg wijzen. Ogen openen.”

Hoe ziet u of iemand een groot dirigent wordt?

„Heeft iemand alles waar het om gaat? Mijn assistent David Afkham, die heeft dat. Die snapt waar het om gaat. Keihard werken. Hij heeft het talent om iets over te brengen op musici én de gave precies op tijd op de juiste plaats zijn. Zich nooit op te dringen, maar er wel voor te zorgen dat hij er altijd is. Mijn andere assistent is schuw. Dat is jammer.”

Maar u bent zelf, naar eigen zeggen, ook schuw en onzeker. Of slijt dat?

„Oh nee, dat slijt ab-so-luut niet. Je leert ermee leven. Ik hou van mijn vak, als het een vak is. Ik werk graag met orkesten. Maar ik zie er ook altijd tegenop. Ach, doorgaans ben ik in mijn onzekerheid heel tevreden, hoor. Ik doe nu ook minder, neem langere pauzes, dat maakt het werk des te plezieriger.”

Wat doet u met die extra vrije tijd?

„Luisteren naar muziek doe ik in elk geval maar weinig. En als ik er al behoefte aan heb, dan vooral naar kamermuziek, van Beethoven, Debussy en Bach. Maar ik ben al zoveel met muziek bezig dat ik mijn oude oren liever wat ontzie. Lezen is me liever, het biedt stilte en concentratie. Dostojevski’s Schuld en boete, op dit moment. En Haruki Murakami, die verslind ik. Ik ben er alleen nog niet over uit of hij een charlatan is of een groot schrijver.”

U kocht een aandeel in het Concertgebouw.

„Het Concertgebouw is uniek. Ik kom er vanaf mijn vroege jeugd, heb er als achtjarige Mengelberg gehoord. Ik was een kleine fanaticus. Dus al woon ik al decennia niet meer in Nederland, ik wilde actief iets doen. Die hele uitverkoop van onze cultuur, ik vind het zó schrijnend, zó schandalig... Ontstellend ook, dat er zo weinig wordt geprotesteerd. Hoeveel musici komen niet op straat te staan? En dan de manier waarop, de trots die de politiek uitstraalt over de afbraak van geweldige instituten. ‘Weg met het subsidie-infuus!’”

De ZaterdagMatinee krijgt het zwaar, het Brabants Orkest en Limburgs Symfonie Orkest moeten intensief samenwerken en ASKO|Schönberg moet door met de helft.

„Mogen we ophouden? Ik word er nijdig van. Want natuurlijk is dat fout, helemaal mis! Juist de onderbouw is belangrijk voor de bovenbouw: voor het kweken van musici die doorstromen naar de top. Maar ik ben sowieso niet optimistisch. Het Concertgebouworkest moet ook oppassen als deze regering aanblijft.”

Er is recessie, bezuinigen lijkt onvermijdelijk.

„Is dat echt zo? Ik heb de twijfelachtige eer me nog goed te herinneren hoe het was na de bevrijding in 1945. Nederland en heel West-Europa waren een puinhoop, dus je zou zeggen dat alle geld opging aan de wederopbouw. Het tegendeel was waar. Er werd een nieuw departement voor Onderwijs, Kunst en Wetenschappen opgericht met als gangmaker de theoloog prof. dr. G. van der Leeuw (1890-1950), een fantastisch mens die besefte dat als je het aan de massa overlaat, er niets of te weinig gebeurt aan cultuur. Men vergeet dat je als overheid ook een opvoedende taak hebt de mens te leiden, en terug te brengen naar de bronnen van onze cultuur.”

Chamber Orchestra of Europe o.l.v. Bernard Haitink. Beethoven, symfonieën nrs. 1,4,6,7,9. Concerten 21, 24 en 28/2. Concertgebouw Amsterdam.