De 'onmisbare natie'

Een tijdje geleden stond in onze krant een artikel over de wisseling van de wacht die op de Nederlandse ambassade te Washington gaat plaatsvinden. In dat artikel werd Washington de hoogste post genoemd die in de Nederlandse diplomatie te vergeven is. Of dit de mening van de schrijver van dat artikel was dan wel of hij daarmee de opvatting weergaf die hierover op het ministerie van Buitenlandse zaken heerst, was niet helemaal duidelijk. In elk geval ben ik het er niet mee eens. Washington is een heel belangrijke post, omdat de Verenigde Staten nog altijd het machtigste land ter wereld zijn, maar sinds het einde van de Koude Oorlog en na de machtsverschuivingen die zich sindsdien in de wereld hebben voltrokken, heeft de post relatief aan belang verloren.

Welk land is dan wél het belangrijkste voor Nederland? Jaren geleden, lang vóór de val van de Muur, schreef ik eens een briefje aan een bevriende diplomaat waarin ik hem gelukwenste met zijn benoeming tot ambassadeur in Bonn, de toenmalige hoofdstad van de Bondsrepubliek Duitsland. Zelf had hij, geloof ik, liever een post met meer allure gehad – Londen, Parijs, Rome of Washington – dan het nogal provinciale Bonn.

Maar ik schreef hem dat in mijn ogen Duitsland het belangrijkste land voor Nederland was – niet alleen omdat het ons economische achterland was, maar ook omdat het sinds 1870 meermalen het lot van Europa had bepaald, en niet altijd ten goede, zoals wij tussen 1940 en 1945 hadden ondervonden. Ten slotte een geopolitiek argument: Nederland zou geografisch te eeuwigen dage aan Duitsland vastgeklonken blijven, wat met Amerika, toen onze grote beschermer, niet het geval was.

Zelf was ik in die dagen meer Atlanticus dan Europeaan, om de eenvoudige reden dat Amerika het enige tegenwicht was tegen de macht van de Sovjet-Unie, die zich tot diep in het midden van Europa uitstrekte. Zelfs een verenigd Europa zou dat tegenwicht niet kunnen bieden. Zolang de Sovjetmacht op een paar honderd kilometer van onze oostgrens zou staan, hadden, in mijn ogen, Nederlands-Atlantische relaties prioriteit boven de Europese, maar dat was, in essentie, een tijdelijke prioriteit. Met het einde van de Koude Oorlog zou zij veranderen.

Zo dacht niet iedereen. Ook op Buitenlandse Zaken gold de Atlantische prioriteit nog vele jaren nadat het eigenlijke motief ervan, de Sovjetaanwezigheid in het hart van Europa, verdwenen was. Nog in 2003, veertien jaar na het einde van de Koude Oorlog en ten tijde van de Amerikaanse oorlog tegen Irak, bleek zij bijna vanzelfsprekend. Was het dankbaarheid of sympathie die de doorslag gaf? Zo ja, dat zijn geen categorieën waarmee buitenlandse politiek gemaakt wordt. Hoe het nu, onder minister Rosenthal, is, is niet helemaal duidelijk. Hij lijkt in elk geval, met Amerika, pro-Israëlischer dan Nederlands Europese partners.

Op de conferentie over de veiligheid die elk jaar in München wordt gehouden, hebben minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton en haar collega van Defensie, Leon Panetta, onlangs de Europese angsten dat Amerika minder belangstelling voor Europa zou hebben, geprobeerd te sussen. „Wij zien in Europa onze duurzame partner”, verzekerde Clinton, en Panetta wees erop dat Amerika een afweersysteem tegen raketten in Europa aan het bouwen was, maar hij voegde eraan toe dat Amerika wel verwachtte dat Europa, op zijn beurt, meer geld aan zijn eigen verdediging zou besteden. Slechts een onverbeterlijke optimist gelooft dat dit zal gebeuren.

We hoeven niet te twijfelen aan de Amerikaanse verzekeringen van blijvende solidariteit om toch oog te hebben voor de realiteit, en die is dat het zwaartepunt van Amerika’s zorgen steeds meer graviteert van de Atlantische naar de Pacifische regio. Henry Kissinger, ook op die conferentie aanwezig, legde daar nog eens de nadruk op. Iemand hoeft evenwel geen Kissinger te zijn om deze bijna tektonische verschuiving al twintig jaar geleden te hebben voorzien.

Wat Nederland betreft, is er geen andere mogelijkheid dan zich te oriënteren op, en te investeren in, Europa – niet uit Europees idealisme, maar omdat er geen alternatief is (behalve neutraliteit). Washington zal Nederland heus niet belonen omdat het zo pro-Amerikaans is. Zo werkt buitenlandse politiek niet, maar een land als het onze, dat na honderd jaar van neutraliteitspolitiek, eigenlijk pas in 1945 is begonnen actieve buitenlandse politiek te gaan voeren, moet nog steeds aan die waarheid wennen.

Vooralsnog heeft het kabinet-Rutte weinig blijkgegeven zich ervan bewust te zijn dat het einde van de Koude Oorlog ook voor ons land consequenties heeft gehad die nopen tot een breuk in onze traditionele denkwijze. De afhankelijkheid van Amerika, waarin Nederland veertig jaar heeft geleefd, was in die periode de juiste keuze, maar zij heeft ons wel de prikkel ontnomen om na te denken over andere opties voor de tijd dat die afhankelijkheid minder zin zou hebben. Polen, dat veel meer onder de Duitse bezetting geleden heeft dan Nederland, toont dat het ook anders kan. Onlangs noemde zijn minister van Buitenlandse Zaken Duitsland de ‘onmisbare natie’ in Europa.

    • J.L. Heldring