De Noord-Zuidlijn is de spiegel van Amsterdam

Bij de aanleg van het nieuwe metrotraject zijn 700.000 vondsten gedaan. Per laag ga je verder terug in de tijd, tot in de twaalfde eeuw.

Redacteur Wetenschap

Eeuwenlang gooiden Amsterdamse burgers hun rommel in de Amstel. Reizigers lieten kleipijpjes in het water vallen terwijl ze op de veerboot stapten, want aan boord mochten ze niet roken. Alles bij elkaar en zonder dat ze het wisten leidde hun gedrag tot een verhaal. „Het afval in de Amstel en de verloren voorwerpen weerspiegelen het menselijk gedrag in het verleden van Amsterdam”, zegt Jerzy Gawronski, stadsarcheoloog van Amsterdam.

Bij de aanleg van de metroverbinding Noord-Zuidlijn tussen 2003 en 2008 is allerlei historisch afval tevoorschijn gekomen bij opgravingen in de gedempte rivierbedding. Van kleine scherven tot bierkannen uit het Rijnland, die in de zeventiende eeuw bij honderdduizenden werden gemaakt, sommige met het wapen van Amsterdam erin. „Zo belangrijk was de Amsterdamse exportmarkt”, veronderstelt Gawronski.

Met tientallen medewerkers van het gemeentelijk bureau monumenten & archeologie (BMA) verrichtte Gawronski de opgravingen rond de metrolijn. Onder het Rokin deden ze 300.000 vondsten, onder het Damrak 400.000. Een keuze is te zien op een kleine tentoonstelling in het Allard Pierson Museum in Amsterdam: 700.000 vondsten uit de Amstel.

Amsterdam ontstond rond 1175, toen de Amstel en het IJ het landschap zo beïnvloedden dat min of meer massale bewoning mogelijk werd. De Amstel is de ziel van stad. „En de Noord-Zuidlijn is de spiegel van de Amstel”, zegt Gawronski. Want op een kleine 25 meter diepte volgt de Noord-Zuidlijn de bedding van de rivier die in de loop van de eeuwen steeds verder werd gedempt – voor het laatst in 1937, bij het Rokin.

De metrolijn biedt daarnaast een blik op doorsneden van de bedding. Voor de aanleg van de stations zijn een soort ondergrondse blokkendozen uitgegraven. Zo vormt het metrostation Rokin een betonnen bak van 200 meter lang, 25 meter diep en 15 meter breed. In deze betonnen bak – en die van de boorschacht op het Damrak – groeven de aannemers de grond laag na laag af, en met elke laag zetten ze een stap verder terug in het verleden. Gawronski wijst op een foto van een muur van aarde, met lagen in verschillende kleuren: „Die lichte laag helemaal bovenaan is de zandlaag uit 1937. De laag eronder, met die aardewerken kruiken, is uit de negentiende eeuw. Zo ga je per laag verder terug in de tijd.”

De archeologen werkten samen met de gravende bouwvakkers. „Om vondsten veilig te stellen, gingen de archeologen door als de bouwvakkers klaar waren. ’s Avonds en ’s nachts documenteerden zij de bodem en de rivierbedding”, vertelt Gawronski. Hij wijst op een foto van tientallen mensen in oranje pakken in een reusachtige, donkere groeve. Op een andere foto staat een man met iets wits in zijn handen: een net gevonden zoutvaatje van Frans faience, aardewerk dat met een ondoorzichtige witte laag is geglazuurd zodat het op porselein lijkt.

Het zoutvaatje uit Nevers ligt in een vitrine, net als de Rijnlandse kruiken en een langwerpige strooppot van rood aardewerk. Die strooppot werd gebruikt voor de suikerraffinage. Nieuwsgierig geworden door deze vondst ontdekten de archeologen in het stadsarchief dat op deze plek aan het Rokin heel lang suikerfabriek De Drie Suykerbroden heeft gestaan.

De suikerpotten vormen een belangrijke sleutel voor het onderzoek. „In feite doen we aan waterarcheologie, want de rivier heeft de voorwerpen in de loop van de tijd verplaatst. Voor landarcheologen lijkt water chaos, maar als oud-waterarcheoloog weet ik dat er altijd patronen zijn te vinden”, zegt Gawronski. „Doordat we weten waar de suikerfabriek stond en waar het afval is terechtgekomen, hebben we nu een ijkpatroon voor de manier waarop de Amstel voorwerpen verplaatste. Dat patroon kunnen we toepassen op de andere vondsten.”

Van alle 700.000 vondsten is de locatie in een databank opgeslagen. „De databank bewerken we met een speciaal softwareprogramma. Dat maakt het mogelijk elke vondst in drie dimensies op het computerscherm in de virtuele rivierbedding te projecteren”, zegt Gawronski. „Het is of we het gooien van het afval in de rivier terugdraaien, alsof het een film is.”

De ‘film’ van het Damrak toont hoe de voormalige brug bij het IJ, de Nieuwe Brug in de monding van de rivier, ooit heeft gefunctioneerd als een centraal plein. „Het was een wachtpost, onderdeel van de verdediging van de stad. Het was ook een plek waar kinderen speelden. Dat weten we doordat we bij het Damrak wapens en kinderspeelgoed hebben gevonden”, zegt Gawronski. Hij heeft het over hellebaarden en speelbotjes.

Het kost jaren voordat de 10.000 kratten met vondsten zijn verwerkt tot een computeranimatie. Als het werk klaar is, wil Gawronski ze laten zien aan het publiek, zegt hij, „ook omdat het Verdrag van Malta oplegt dat je depots zo veel mogelijk publiek moet maken.”

BMA heeft met de Universiteit van Amsterdam in het museum een ‘UvA-erfgoedlab’ ingericht, waar experts geregeld zullen discussiëren. Hoe zou het publieke deel van het depot eruit kunnen zien als de metro in 2018 gaat rijden? Het erfgoedlab toont enkele mogelijkheden: een vitrine van vijf meter lang ligt vol met brokken aardewerk, een andere vol gebroken groene flessen. Gawronski wijst op een maquette van metrostation Rokin met roltrappen van 25 meter: „Tussen de trappen zouden vitrines kunnen komen, zodat het publiek langs de vondsten omhoog en omlaag gaat” – zodat er voor hun ogen een film van het verleden wordt afgespeeld.

Expo 700.000 vondsten uit de Amstel, in Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam. Meer info: allardpiersonmuseum.nl

    • Karel Berkhout