'De natuur is nu eenmaal smerig'

De Deense kunstenaar Per Kirkeby werkt maanden, soms jaren aan een werk. „Een schilderij moet volwassen worden”, zegt hij. In Brussel wordt de 73-jarige schilder geëerd met een groot retrospectief.

Hoe lang moet je kijken als je voor een schilderij van de Deense kunstenaar Per Kirkeby (1938) staat? Net zo lang als de kunstenaar erover deed om het schilderij te voltooien? Eén jaar op zijn minst? Twee jaar of misschien wel drie? Want zoveel tijd kost het Kirkeby om een schilderij te maken.

Moet je er alleen maar snel langs lopen – langs die enorme horizontale vlakken waarop aardse tinten zich soms schuchter, soms zuigend, soms uitbundig aan je tonen? En dan vanuit je ooghoek denken: waaraan herinneren deze gearceerde kleurvlakken me, welke flard wil ik pakken maar ontglipt me steeds? Is het een paard, een bos, een ijszee, een Arctisch landschap, een goudgele vlakte, een onheilspellende kloof met een babyblauw plafond?

Of loop je heen en terug? Van het detail in die ene hoek naar het geheel, van de microscopische vegen, de druipsporen van de verf, de fijn getekende lijnen, naar het panoramische woud van kleurvlakken, naar de afwisseling tussen diepte en oppervlakte die het schilderij structuur geeft alsof het een zelfstandig ademend wezen is?

Kirkeby is zoveel dat het je duizelt. Hij is beeldhouwer, tekenaar, graficus. Hij is cineast, hij schrijft boeken over kunstenaars die hij bewondert, hij is stripliefhebber, hij is dichter met een hart dat uitgaat naar de architectuur, hij is reiziger en geoloog. Hij is opgeleid als geoloog is in 1965 gepromoveerd aan de universiteit van Kopenhagen. Zijn specialisme: de Arctische geologie uit het quartair. Landschappen, rotsformaties bekijken en onderzoeken waar precies heel lang geleden een gletsjer heeft gelopen. Maar voor alles is Kirkeby schilder, een ouderwetse, lyrisch-abstracte schilder.

Dat benadrukt hij, wanneer ik hem spreek op de dag voordat een groot retrospectief van Kirkeby opent in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. „Mijn kern is de schilderkunst”, zegt Kirkeby. „Ik schilder niet vanuit een concept. Dat kan ik niet. Ik moet schilderen wat ik zie. De werkelijkheid is mijn vertrekpunt. Maar waar dat vertrekpunt toe leidt? Geen idee.

„Als ik ’s ochtends in mijn atelier kom, ga ik eerst een beetje lezen – gedichten, de strips van prins Valiant. Die zijn mijn favoriet. En zo zit ik dan. Ik verlummel zo’n beetje mijn hele dag, ik weet niet wat ik moet doen. Als ten slotte de telefoon gaat, mijn vrouw belt dat het eten klaar is en ik moet komen, of wat dan ook – dan is dát het moment waarop ik plotseling weet wat ik moet schilderen. Daarom heb ik mijn atelier altijd verbonden aan huis. Zodat ik meteen vanuit het normale leven mijn atelier kan binnenstappen.”

Wat Kirkeby er concreet toe brengt om een schilderij op te zetten – zijn het herinneringen aan de landschappen op Groenland, de Maya-tempels in Mexico, de kleur van de zee bij Kopenhagen, of de olijven aan de boom van zijn huis in Italië – hij kan het niet vertellen. „Het is nooit simpel. Ik kan niet zeggen: ‘Het was vandaag een grijze dag – en zo gaat dit schilderij er dus ook uitzien.’ Ik begin met vage noties, emoties, ideeën over kleur of vorm, maar ook filosofische. Ik kan het niet in taal vatten, daarom schilder ik. Dat is immers het idee achter kunst: dat je er iets mee uitdrukt wat je niet met woorden kunt begrijpen. Kunst moet niet te veel spraak bevatten, vind ik. Niet te linguïstisch zijn. Want wat krijg je dan: een kunstenaar schildert iets, de kijker loopt ernaar toe, kijkt en denkt: ‘Oh ja, ik heb het, ik begrijp het punt dat de schilder wil maken.’ Dat wil ik niet.”

Tijdens het schilderen, zegt hij, raken zijn ideeën ‘ondergesneeuwd’ door wat er zich voor hem afspeelt op het doek. „Uiteindelijk worden mijn ideeën vernietigd door het schilderij zelf. Ik werk er maanden, jaren aan. Soms laat ik een schilderij een half jaar rusten, om volwassen te worden. Ten slotte zegt het beeld tegen mij: ‘Kom op, je had een goed idee aan het begin. Dat is heel slim van je. Maar met een goed idee alleen maak je nog geen goed schilderij. Je maakt een schilderij met kleur en met een kwast.’”

Karakteristiek stapelen

In de lange, uit 1996 daterende documentaire Per Kirkeby Winter’s Tale – ook te zien in Brussel – is Kirkeby’s werkwijze indrukwekkend vastgelegd. Het is een karakteristiek stapelen van gearceerde vlakken en kleuren die altijd weer kunnen worden overgeschilderd of van vorm veranderen. Regisseur Jesper Jargil volgt de kunstenaar dagen, maanden, seizoenen lang in zijn atelier. De kleren wisselen, een overhemd wordt een trui, muziek staat aan of niet. Steeds is er alleen maar de camera die gericht is op hetzelfde doek, dat bij aanvang wit is maar zich langzaam vult met verf: nieuwe, steeds weer verse lagen verf, op sommige plekken drabberig, op andere plekken juist helder en fonkelend, op weer andere plekken ronduit smerig. „De natuur is nou eenmaal smerig”, zegt Kirkeby tegen het doek. „En als ik zelf smerig word, dan is dat alleen maar goed.”

Zichzelf het schilderij ‘inwrijven’, noemt hij dat procedé. Net zo lang, totdat het rood, groen en blauw ‘gebakken aardappels’ zijn. Dan pas is het goed. Dan pas maakt het schilderij duidelijk hoe broos de herinnering is, hoe gevarieerd de waarneming. En vooral: hoe sterk de structuur.

Zwart en wit

Kirkeby is broos, sinds hij vorig jaar getroffen werd door een beroerte. De krachtige man die in de jaren zestig en zeventig in zijn eentje met een tentje op expeditie naar het noorden van Groenland ging om gletsjers en rotsformaties te bestuderen, die man loopt tegenwoordig moeilijk, heeft te lijden van de winterkou en is aan één oor doof. Na zijn beroerte zag hij lange tijd alleen maar zwart en wit. „Afschuwelijk”, zegt hij. „Ik probeerde grisailles te maken. Maar ik ervoer een onmogelijkheid om ruimte te creëren met alleen zwart en wit. Ik heb kleur nodig, al is het maar één punt. Zet ik een punt in een witte vlakte, dan heb ik ruimte.” De kleuren kwamen terug na een operatie vorige zomer, één voor één. De openbaring was groot: „Een hemel die plotseling weer blauw is.”

Hoewel Kirkeby’s naam niet vaak wordt genoemd op Documenta’s en hippe biënnales, is hij nog steeds een icoon voor generaties kunstenaars die in de jaren tachtig en negentig naar de academie gingen. Het is Kirkeby, die in de jaren zeventig van de vorige eeuw – als de beeldende kunst in het teken staat van minimalisme en conceptueel denken en de schilderkunst luidruchtig wordt doodverklaard – de lans doodgemoedereerd oppakt en verder draagt waar voorvaderen haar hebben neergelegd. Die voorvaderen komen uit verschillende streken en tijden: het zijn Brueghel en Dürer, die Kirkeby met hun fantasielandschappen inspireren. Maar ook Delacroix, die zoveel bravoure toont in zijn schilderijen maar ook zo fijnzinnig met tussentonen omgaat. Of Rembrandt. Matisse. Munch. Schwitters. „Die schilders kijken voortdurend over mijn rug mee”, zegt hij. „Ik lééf met ze. Ze zitten in me.”

Aan Schwitters besteedt Kirkeby op dit retrospectief speciale aandacht, met name aan zijn veel minder bekende schilderijen die hij van fjorden en meren in Noorwegen maakte. „Ik ben nooit geïnteresseerd geweest in Schwitters’ normale, geaccepteerde werken”, zegt Kirkeby. „De kunstgeschiedenis stopt hem in de hoek van de avant-garde, van Dada en Merz. De rest geldt als niet ter zake doende. Maar Schwitters is zijn leven lang naturalistische schilderijen blijven maken – landschappen, portretten. Kitsch. Dat is mooi. Schwitters ontsnapt je voortdurend. Hij doet het ene, maar ook het andere. Daarom voel ik me verwant aan hem. Want ook mijn kunstenaarschap valt niet in een doosje te stoppen. Ik ben altijd een buitenstaander geweest, een underdog. Ik hoorde er nooit echt bij.”

Toch maakt Kirkeby vanaf de jaren zeventig wel degelijk deel uit van het kunstestablishment. De legendarische Zwitserse tentoonstellingsmaker Harald Szeemann nodigt hem in 1972 uit voor de Documenta in Kassel. Rudi Fuchs brengt Kirkeby in Nederland als een van de belangrijkste, anti-modernistische stemmen in de twintigste-eeuwse Europese schilderkunst. De vermaarde Keulse galeriehouder Michael Werner, die ook de ‘Neue Wilden’ ontdekt en verhandelt – Baselitz, Lüpertz, Polke en Kiefer – bezoekt Kirkeby in de jaren tachtig voor het eerst in zijn atelier in Stockholm.

Het is het begin van een hechte vriendschap. „Zeg maar: een lastig huwelijk. Ik herinner me Michael Werners eerste bezoek nog glashelder. Hij stapte binnen in mijn atelier. Hij is een soort van cowboy. Hij keek rond, draaide zich naar me om en zei: ‘Dit is natuurlijk allemaal shit, hè.’ Maar toen hij vertrok, zei hij: ‘En wanneer kan ik een tentoonstelling met je werk maken?’

„Michael heeft de beste ogen van mijn generatie. Ik ben bang als hij op bezoek komt – nog steeds. Dan staat hij daar en drukt met zijn dikke duim op één punt in het schilderij, alsof het een wond is. Plotseling realiseer ik me dat dát de zwakke plek van het doek is. Ik kan dat onmogelijk uit mezelf toegeven, van mezelf zien. Maar Michael zegt gewoon: ‘Dit is zwak.’ Ik haat hem erom. Ik verafschuw het. Maar als ik eerlijk ben, heeft hij gelijk. En dan is het goed.”

‘Per Kirkeby en de verboden schilderijen van Kurt Schwitters’. T/m 20 mei in het Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel. Catalogus 36,50. Inl. www.bozar.be

    • Lucette ter Borg