De democratisering van het ressentiment

Democratie maakt de burger boos. In het oude systeem van rangen en standen wist hij niet waarnaar hij zou moeten streven. Tegenwoordig weet hij dit wel, maar is het vaak nog steeds onbereikbaar, stelt Sjaak Koenis.

Het zal niemand ontgaan zijn dat het politieke klimaat de laatste jaren bijzonder guur is geworden. Veel mensen zijn tegenwoordig boos, op de overheid, op de politieke en culturele elite, op de banken, op elkaar. Zij uiten hun boosheid op talloze manieren, vooral via de nieuwe sociale media, die een geschikte uitlaatklep vormen voor de anonieme of half-anonieme expressie van onbehagen. Een aardig voorbeeld, niet afkomstig uit een nieuw, maar een oud medium, Dagblad De Limburger, in de vorm van een strip: komt een vrouw bij een gemeenteloket, zegt de ambtenaar: „U moet nog 3.576 euro aan openstaande boetes betalen, mevrouw.” Zegt de vrouw: „Wat??? Daar komen jullie nu pas mee?! Het is toch van de zotte dat jullie dat zo laten oplopen!” En ze vervolgt: „Zitten jullie de hele dag te slapen of zo van mijn belastingcenten?!”

Wat is hier aan de hand? Deze mevrouw is boos op de prioriteiten die de overheid stelt. Dat ze zélf ook deel van het probleem is, wil er bij haar niet in. Zulke kortzichtige boosheid kan men zeker niet alle burgers in Nederland aanwrijven, maar uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de stemming in Nederland blijkt wel dat deze mevrouw, net als veel andere burgers, de problemen vooral buiten zichzelf plaatst: ‘met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’.

Zijn mensen tegenwoordig bozer dan ze vroeger waren? Moeilijk te zeggen: hoe zou je zoiets kunnen meten? Wel herinner ik me dat de journalist Henk Hofland in Tegels lichten, het boek uit 1972 over het naoorlogse herstel van ‘Het Bestel’ in Nederland, verwijst naar wat hij „de stoottroepen van de rollende waanzin” noemt, de harde kern van gekken, jodenhaters, dreigers, schelders en mensen die een doos uitwerpselen stuurden, zoals naar Mies Bouman, na een uitzending van het succesvolle VARA-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer over Beeldreligie. Ook toen, in 1963, waren veel mensen heel boos, maar het is mogelijk dat we er tegenwoordig door de nieuwe media meer van merken.

Veel mensen denken dat de huidige boosheid een teken is van het recente falen van de democratie. Dat falen zou dan blijken uit de opkomst van het populisme in de personen van Pim Fortuyn, Rita Verdonk en Geert Wilders. Zonder het populisme zou deze boosheid verdwijnen als sneeuw voor de zon. Ik denk dat deze mensen oorzaak en symptoom met elkaar verwarren. Wat je ook veel hoort, is dat met name de PVV van Wilders een bedreiging vormt voor de democratie. Volgens Rob Riemen van het Nexus Instituut uit Tilburg worden we zelfs geconfronteerd met een nieuwe opleving van het fascisme. Ik denk dat er iets anders aan de hand is. Het populisme is niet de oorzaak van de huidige woede, maar geeft er wel uitdrukking aan. Maar wat belangrijker is: de boosheid is volgens mij niet het gevolg van de bedreiging of het falen van de democratie, maar juist het gevolg van het succes van de democratie.

Hoe kan boosheid nu het gevolg zijn van het succes van de democratie? Democratie associëren we toch met mooie dingen als tolerantie, vrijheid en gelijkheid? Met het streven naar emancipatie? Zijn er juist niet ontzettend veel mensen in de wereld, denk aan de Arabische Lente, die boos zijn omdat ze te weinig democratie hebben? Die mooie dingen vormen inderdaad een belangrijk aspect van democratie, en geven ons ook voldoende reden om democratie na te streven. Maar er zit ook een meer duistere kant aan democratie, één die progressieven liever niet onder ogen zien, omdat zij democratie vereenzelvigen met deze mooie zaken en de problemen van de democratie willen oplossen met méér democratie. Waar ik op doel is dat democratie ook afgunst en ressentiment voortbrengt. Democratie heeft een Januskop: het ene gezicht toont democratie als een bron van emancipatie en empowerment; het andere toont democratie als een bron van ressentiment, dat zich uit in afgunst en boosheid.

Waarom zou democratie een bron van ressentiment zijn? Om dit te begrijpen moeten we ons in de woorden van de Franse historicus Ferdinand Braudel op la longue durée, dus op de lange duur richten, in het bijzonder op twee processen: zowel toenemende (stands)gelijkheid als toenemende onttovering.

Toenemende gelijkheid. Hoe leidt toenemende gelijkheid nu tot ressentiment? Ik kan dit niet beter uitleggen dan Alexis de Tocqueville dit heeft gedaan in de jaren dertig van de negentiende eeuw, in zijn beroemde boek Over de democratie in Amerika. Hij wijst erop dat democratische instellingen het gevoel van afgunst in het menselijk hart tot zeer grote ontwikkeling brengen. Dat is volgens Tocqueville niet zo omdat democratische instellingen mensen de middelen bieden om de anderen te evenaren, maar omdat deze middelen voortdurend tekortschieten. Democratische instellingen wekken de hartstocht voor gelijkheid (in de betekenis van gelijkwaardigheid) op en wakkeren die aan, maar kunnen deze hartstocht nooit volledig bevredigen. De standen waaruit de oude samenleving bestond, worden in een democratie gelijk, maar de prijs is dat afgunst, haat en minachting voor de buurman en hoogmoed en overdreven zelfvertrouwen zich van mensen meester maken.

Democratie is een maatschappijvorm (dus meer dan een politieke institutie) waarin mensen formeel aan elkaar gelijk zijn. Daarin verschilt de democratie van oudere standensamenlevingen, waarin ongelijkheid geïnstitutionaliseerd was en mensen ook letterlijk ‘hun plek wisten’. Het is in Nederland de democratisering geweest die in een paar etappes de oude standensamenleving heeft ondermijnd. Een van die etappes is de verzuiling geweest. De zuilen vormden voor sommige groepen een middel tot emancipatie, maar tevens werden de grote tegenstellingen die aan de basis bestonden, aan de top gepacificeerd door een hiërarchisch ingestelde elite. In de ontzuiling, die Hofland in Tegels lichten documenteert, gaat de ontmanteling van het regentendom hand in hand met het luidruchtig naar buiten treden van de boze burger. Emancipatie en ressentiment, de twee gezichten van democratie, worden hier mooi zichtbaar.

Toenemende gelijkwaardigheid is steeds hand in hand gegaan met de ervaring van ongelijkheid, eenvoudigweg omdat mensen verschillen in talent, energie en in wat het lot voor hen in petto heeft. De wrijving tussen formele gelijkheid en feitelijke ongelijkheid wordt op de spits gedreven in onze ‘diplomademocratie’, waarin een premie staat op ‘excellentie’. De tweedeling waar Joop den Uyl in de jaren zeventig van de vorige eeuw over sprak, lijkt zich in een andere gedaante voltrokken te hebben: niet die tussen klassen, maar die tussen hoger en lager opgeleiden. Deze wrijving veroorzaakt veel van de maatschappelijke hitte die naar buiten komt in de vorm van ressentiment.

We kunnen met filosoof Max Scheler stellen dat ressentiment zich op twee manieren kan uiten: het kan leiden tot sociale actie die gericht is op het aanpakken van de als kwalijk ervaren toestand, of het kan de vorm aannemen van ressentimentskritiek die gericht is op het in stand houden van de boosheid, en niet op het oplossen van het onderliggende probleem. Met behulp van dit onderscheid krijgen we meer oog voor het dubbelzinnige karakter van sociale bewegingen, zoals het socialisme of het feminisme: behalve emancipatiebewegingen zijn dit ook altijd ressentimentbewegingen geweest; emancipatie en ressentiment zijn inniger met elkaar verbonden dan veel mensen willen toegeven. Ressentiment levert de brandstof voor de motor van de emancipatie, het is de zuurstof die de emancipatie-idealen voedt. Dezelfde dubbelzinnigheid geldt mijns inziens ook voor het hedendaagse populisme: populisme kan men niet wegzetten als louter een rancunebeweging. Toegegeven: Geert Wilders is een meester in ressentimentskritiek – neem bijvoorbeeld zijn beruchte voorstel voor een ‘kopvoddentaks’. Tegelijk kondigt zich met het populisme een nieuwe vorm van emancipatie aan, die van de boze burgers. Deze burgers breken met wat zij ervaren als misplaatste, door een linkse elite opgelegde politieke correctheid die hun de mond snoerde. Luister maar naar Joost Eerdmans, die op doordeweekse avonden nadrukkelijk het ‘andere’ geluid van WNL laat horen.

Ik had het over het streven naar gelijkheid. Maar ressentiment als product van toenemende gelijkheid heeft niet alleen betrekking op de positie van mensen op de maatschappelijke ladder, dus op wat de sociale kwestie wordt genoemd. Het gaat ook om wat ik de culturele kwestie wil noemen. Daarmee kom ik op het tweede proces, dat van onttovering. Ressentiment tast ook iedere geleding van de cultuur aan, of het nu gaat over het onderscheid tussen hoge en lage cultuur of de tegenstellingen tussen levensbeschouwingen. De verdedigers van de hoge cultuur zijn bang voor de commerciële massacultuur. Zij hebben het onderscheid tussen hoge en lage cultuur nodig om hun positie te markeren. Tegenover deze pleitbezorgers van de hoge cultuur zou je verwachten dat zich de verdedigers van de lage cultuur opstellen, maar die zijn er helemaal niet. Er zijn wel veel mensen die het onderscheid tussen hoog en laag afwijzen en er zijn ook mensen (van wie veel vertegenwoordiger zijn van populistische partijen) die tegen elitekunst aanschoppen met het argument dat de gewone man daar helemaal niets aan heeft.

Nogal wat mensen worden nerveus van het gegeven dat traditionele opvattingen over de Nederlandse cultuur tegenwoordig ter discussie staan. Hierbij gaat het niet om de vraag of Nederland wel of geen cultuur heeft, maar om het feit dat die traditionele noties door processen van globalisering en migratie sterk onder druk zijn komen te staan. De strijd om cultuur speelt zich tegenwoordig af tussen kosmopolieten en antikosmopolieten, en zal ertoe leiden dat nieuwe opvattingen over onze cultuur of gemeenschap veld zullen winnen. Maar ook hier zal deze strijd leiden tot een onttovering van het idee van één Nederlandse cultuur. Dat zo veel mensen nieuwe vormen van betovering denken te vinden in de canon van dorp, stad, regio, in het Nederlands landschap, de Nederlandse klassieke muziek, de Nederlandse geschiedenis en literatuur, is geen weerlegging van deze stelling, maar vormt juist de bevestiging ervan. Het Rijksmuseum en al die andere historische musea die Nederland rijk is, waren bij elkaar niet genoeg om Nederlanders (en toeristen) over onze geschiedenis te informeren. Nee, er moest per se een nieuw Nationaal Historisch Museum komen om tegemoet te komen aan ons verlangen om onze cultuur en geschiedenis te monumentaliseren. Nu dit museum van de baan is, zal het verlangen zich ongetwijfeld aan nieuwe zaken hechten.

Steeds worden min of meer canonieke verbeeldingen van cultuur, van wie wij zijn, van de ideale gemeenschap, aangetast door het zuur van het ressentiment. Deze onttovering zullen sommigen alleen maar negatief duiden, als de teloorgang van de Nederlandse cultuur en het verlies van wat zij als het monumentale verleden van Nederland zullen zien. Populisten zijn bijvoorbeeld vergeefs op zoek naar een hartland, dat uiteraard alleen als mythe bestaat. Toch dragen ook zij ongewild met zulke nieuwe interpretaties van cultuur bij aan de ‘creatieve destructie’ van deze monumentale cultuur, en daarmee aan een nieuwe fase in het debat over de Nederlandse identiteit. Ik vind het wel jammer dat tegenover deze populistische mythe van het hartland zo weinig andere beelden worden geplaatst van wat historicus Johan Huizinga ons nationaal besef heeft genoemd.

Veel gevestigde burgers zijn niet meer in staat de strijd van (veelal islamitische) migranten en hun kinderen om in Nederland een plek te verwerven te herkennen als een emancipatiestrijd. Terwijl in de dagen van de verzuiling nog een – wellicht gemankeerd – besef van pluriformiteit heerste, overheerst tegenwoordig een benauwend streven naar culturele homogeniteit. En onder die deken van homogeniteit gaat een statusgevoelige samenleving schuil die in 1830 al door Tocqueville is voorspeld. Hij meende dat in democratische tijden de mensen niets hebben wat hen scheidt of op hun plaats houdt. Zij vinden met buitengewone snelheid de weg omhoog of omlaag. Alle klassen zien elkaar, imiteren elkaar en zijn afgunstig op elkaar. Dit brengt het volk op een massa ideeën, begrippen en verlangens die het niet zou hebben gehad als de rangen waren gesloten en de samenleving immobiel was geweest. Ziet u nu ook onwillekeurig de beelden van tv-programma’s waarin iedereen kan gaan voor vijftien minuten van faam? Omdat in deze statusgevoelige samenleving inspanning en beloning niet meer duidelijk met elkaar verbonden zijn, is de reikwijdte van ressentiment vergroot. Iedereen is boos op iedereen, en maakt er ook een punt van dit te tonen. Of, zoals Arnon Grunberg in de Volkskrant van 14 oktober 2011 schreef: „De burgers zijn niet boos omdat hun onrecht is aangedaan, maar omdat de woede hun leven zin geeft.”

Sjaak Koenis is bijzonder hoogleraar sociale filosofie aan de Universiteit Maastricht. Dit is een bekorte versie van zijn oratie, die hij vanmiddag in Maastricht uitspreekt.