Bestrijdingsmiddelen vervuilen drinkwater

De gewasbescherming in de land- en tuinbouw is tussen 1998 en 2010 wel „duurzamer” geworden, maar de gebruikte middelen leiden nog altijd tot schade aan het milieu en vormen ook nog steeds een risico voor de mensen die met de producten werken. Dat concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving in een studie naar de effecten van het overheidsbeleid.

In het oppervlaktewater worden „veelvuldig te hoge concentraties” aangetroffen, vooral resten van glyfocaat, het werkzame bestanddeel in een veelgebruikte onkruidverdelger, onder meer op plaatsen waar water wordt gewonnen om er drinkwater van te maken. Dat komt vooral doordat telers bestaande regels „onvoldoende” naleven. Het aantal van deze „knelpunten” is met 75 procent afgenomen in plaats van met 95 procent, zoals de bedoeling was.

Onderzoeker Martha van Eerd: „Het is niet eenvoudig om deze stof uit het drinkwater te halen. Drinkwaterbedrijven moeten de inname soms stoppen.”

Bovendien hebben veel telers volgens de studie „onvoldoende aandacht” voor de risico’s met het werken met bestrijdingsmiddelen. Veilig werken heeft „een lage prioriteit”. Veel bedrijven hebben wel protocollen liggen, maar deze worden „niet of nauwelijks actief gebruikt”.

Wel worden op voedsel veel minder resten van bestrijdingsmiddelen aangetroffen, vooral doordat veel middelen zijn verboden. Het aantal overschrijdingen van de norm was in 2008 70 procent lager dan in 2003.