Tibet staat op mijn voorhoofd en in mijn ziel gegrift

Tenzin Rigdol. Beeld Youtube / vajradog

In oktober 2011 deed een jonge, in New York gevestigde Tibetaanse kunstenaar, de negenentwintigjarige Tenzin Rigdol, iets bijzonders. Het lukte hem om twintig ton grond vanuit het hermetisch afgesloten binnenland van Tibet te smokkelen.

Toen ik op internet zijn foto zag, herinnerde ik me dat zijn werk deel had uitgemaakt van de tentoonstelling Hedendaagse Tibetaanse kunst, die in de herfst van 2010 in Peking was gehouden – er was van hem een verzameling van portretten en schilderijen vol Tibetaanse tekst. Op de expositie hadden mijn vrienden en ik tegen elkaar gefluisterd dat niemand waarschijnlijk in de gaten had gehad wat voor boek de kunstenaar op een van de schilderijen in zijn hand hield. Wij hadden onmiddellijk aan het boekomslag gezien dat het van de Dalai Lama was, maar natuurlijk was het gezicht van de Eerbiedwaardige opzettelijk door de kunstenaar verhuld, anders had hij nooit in Peking mogen exposeren.

Een jaar later maakte Tenzin Rigdol in Dharamsala, het centrum van de Tibetanen in ballingschap, een installatie met als titel Ons land, Ons volk. Vele vluchtelingen vonden troost in die grond uit het vaderland: ouderen die al vijftig jaar lang van hun thuis gescheiden waren, jongeren die voor het geweld over de besneeuwde bergen waren gevlucht, en mensen van middelbare leeftijd die in het buitenland waren geboren en nooit in Tibet waren geweest. Voor de ‘grond van Tibet’, met een portret van de aanbeden Eerbiedwaardige en de vlag met de sneeuwberg en leeuwen, hielden ze met tranen in hun ogen respectvol hun khata (ceremoniële begroetingssjaal) omhoog, en knielden neer met hun voorhoofd op de aarde, daarna liepen ze over de grond uit hun geboorteland, of ze hieven het zand met twee handen op, alsof ze in de verte de vormen van hun vaderland konden zien – al doende voltooiden zij samen met de kunstenaar dit kunstwerk vol historische en poëtische betekenis.

Wat me vooral is bijgebleven is de deelname van de eerbiedwaardige Dalai Lama. Tijdens de performance ging Tenzin Rigdol bij hem op audiëntie en bood hem respectvol een doos met grond van het vaderland aan, waarin de Eerbiedwaardige ter plekke met zijn vinger ‘Tibet’ op zijn Tibetaans schreef. Dit was de grond waarvan de Eerbiedwaardige al tweeënvijftig jaar lang gescheiden was, en hoewel de doos niet erg groot was, nauwelijks groot genoeg om een voet in te zetten, impliceerde die grond een veelbelovende nieuw begin; de scène symboliseerde een toekomstig terugkeer en gaf aan zes miljoen Tibetanen het visioen dat ze met de Eerbiedwaardige herenigd zouden worden op de grond van Tibet.

In een live-uitzending in het Tibetaans op Radio Free Asia was te horen hoe de Tibetanen, die lijden onder hun ballingschap, daar voor die grond hun hart luchtten. Ik werd diep getroffen door een jongeman die snikte: ‘Ik, die maar weinig geluk in het leven heb, leef in ballingschap en heb nooit de grond van mijn vaderland gezien, maar vandaag is dat dan eindelijk toch gelukt.’ Ik vertelde dat aan mijn man, Wang Lixiong (schrijver, Tibetoloog, en een belangrijk criticus van de Chinese regering), die verklaarde: ‘De ballingen zijn niet gelukkig, maar ze hebben wel geluk, want zij kunnen de Dalai Lama ontmoeten, ze zijn samen met de Dalai Lama, die ook een balling is.’

Door zijn woorden kon ik mijn eigen benarde omstandigheden en die van de Tibetanen op Tibetaanse grond onder ogen zien. En ik herinnerde me een lang gesprek dat ik begin 2011 in Chengdu had gehad met Tibetanen uit de provincie Kham, functionarissen en leraren, die al zuchtend vertelden dat hun paspoortaanvragen tot nu toe niet werden ingewilligd, waardoor ze hun wens om de Eerbiedwaardige te zien niet konden verwezenlijken. Later vroeg ik: ‘Wat zal er gebeuren, denken jullie, wanneer de Eerbiedwaardige op een dag overlijdt?’ Ik had het beter niet kunnen vragen, ze bogen allemaal hun hoofd en toen ze weer opkeken stroomden de tranen over hun gezicht: ‘Wij hebben al maar weinig geluk, mogen Boeddha en de bodhisattva’s medelijden met ons hebben zodat we niet ons hele leven hoeven te lijden’, en ‘als de Eerbiedwaardige op dat moment nog altijd niet naar Tibet terug mag worden vervoerd, dan zullen we in opstand komen, zelfs mensen als wij zullen in opstand komen, en overal op de Tibetaanse grond zal de woede van de Tibetanen ontbranden.’

Uiteindelijk is het zo dat alle Tibetanen, of ze nu in Tibet wonen of erbuiten, dezelfde moeilijkheden het hoofd moeten bieden, zelfs degenen die op hun eigen land leven zijn toch nog altijd geen eigenaar van hun eigen grond, ze zijn allemaal hun thuis kwijtgeraakt. Maar het ‘Tibet’ dat de Eerbiedwaardige in de ‘grond van Tibet’ schreef, staat op ons voorhoofd en in onze ziel gegrift; nooit zullen wij de naam van dat stuk grond vergeten, de grond die Tibet wordt genoemd.