Spaanse babyroof is 33 jaar na Franco nog altijd taboe

De uit zijn ambt gezette Spaanse rechter Baltasar Garzón deed onderzoek naar misdaden begaan onder het Franco-regime. Een daarvan was grootschalige babyroof.

A sculpture by artist Eugenio Moreno representing Spanish dictator Francisco Franco inside a soda vending machine is displayed at the ADN gallery on the eve of Madrid's Contemporary Art Fair (ARCO) on February 14, 2012. The ARCO Contemporary Art Fair will be held from February 15 to 19 in Madrid. AFP PHOTO/ PIERRE-PHILIPPE MARCOU AFP

Toen Antònia Morro en haar vader Jaime elkaar voor het eerst ontmoetten, was een DNA-test eigenlijk niet meer nodig. Zodra Jaime haar zag, pakte hij Antònia’s hand beet en zei: „Jij bent mijn dochter. Ik weet het zeker.”

Ze deden de test toch, en hun vermoeden was juist: Antònia bleek de dochter die Jaime nooit had gekend.

Bijna een halve eeuw geleden werd de Spaanse, vier dagen oud, weggenomen bij haar moeder die lag te sterven in het kraambed. Jaime, die pas een paar dagen na de geboorte in het ziekenhuis kon zijn, werd wijsgemaakt dat zijn dochtertje was overleden.

Antònia ‘Tonina’ Morro is een ‘niña robada’, een van naar schatting vele tienduizenden geroofde kinderen in Spanje. Ze werden vorige eeuw illegaal weggenomen bij hun ouders en doorverkocht. Het is een praktijk die ontstond aan het eind van de Burgeroorlog (1936-’39) uit ideologische motieven. Een legerarts binnen de zegevierende troepen van generaal Franco ontwikkelde de theorie dat het Spaanse ‘ras’ gezuiverd kon worden van het ‘marxistische gen’. Kinderen van Republikeinse krijgsgevangenen moesten worden weggenomen en wegegeven aan gegoede, rechtse families.

Na de oorlog werd de praktijk voortgezet met goedkeuring van het regime en logistieke steun van de almachtige Kerk. Het bleek voor de betrokken priesters, monniken, artsen en ambtenaren een lucratieve handel. Gedurende de gehele dictatuur van Franco werden op kraamafdelingen baby’s geroofd, en waarschijnlijk ook nog jaren na diens dood in 1975.

Nadat een openbaar aanklager in Andalusië eind 2010 voor het eerst klachten van getroffen families in behandeling nam, kwam er voor het eerst grote aandacht voor de niños robados in de media. Sindsdien hebben circa 1.500 personen aangifte gedaan omdat ze denken slachtoffer te zijn. In slechts een paar gevallen kwam het vooralsnog tot gerechtelijk vooronderzoek. Omdat decennia na dato veel bewijs is verloren gegaan, maar volgens de klagers ook omdat de kwestie na 33 jaar democratie nog te politiek beladen is, zie de zaak-Baltasar Garzón (kader).

Veel families speuren op eigen houtje door. De afgelopen maanden heeft dit tot een handvol herenigingen geleid. Antònia is een van hen. Zij vond behalve haar vader ook haar vijf jaar oudere halfzus Barberá terug. De twee zussen vertellen in een kantoortje van bureau Jeugd- en Adoptiezaken van het eilandbestuur van Mallorca. De directrice, Maria Lluisa Servera, en psychologe Joana Corró zitten ook bij het gesprek. De twee ambtenaren speelden een cruciale rol bij de speurtocht van Antònia.

Uit die zoektocht is gebleken dat Antònia, zoals ze zelf zegt, „voorbestemd was om geroofd te worden”. „Mijn adoptieouders konden zelf geen kinderen krijgen en stonden begin jaren zestig al ruim vijftien jaar op een wachtlijst voor een adoptiekind. Ze waren ver in de veertig en hadden de hoop op een gezin bijna opgegeven, toen een bevriende zakenrelatie hen in contact bracht met het hoofd van het Adoptiebureau.”

Dit bureau werd eind jaren zeventig bestierd door katholieke geestelijken en geleid door een bekende priester op het eiland. Het contact met hem zette Antònia’s ouders ineens bovenaan de wachtlijst. „Al na enkele weken kreeg mijn adoptievader telefonisch bericht dat hij zeer spoedig een baby kon komen ophalen.” Naar nu blijkt vond dit telefoontje plaats op dezelfde dag dat Antònia’s biologische moeder Francesca zich hoogzwanger in het ziekenhuis liet opnemen, 24 augustus 1963.

Antònia zelf zou pas vier dagen later geboren worden. Haar vader Jaime kon daar niet bij zijn. Zijn baas stuurde hem die dagen naar het naburige eiland Ibiza voor een klus. In de maanden daarvoor hadden de twee regelmatig aanvaringen gehad. „De baas, een streng katholiek, vond het maar niks dat mijn vader een kind kreeg bij een gescheiden vrouw en niet getrouwd was.” Jaime werd door zijn baas alsmaar aan het werk gehouden op Ibiza. Hij kon pas terug op de 30ste. Antònia was toen al zogenaamd overleden en begraven.

Antònia heeft nu ontdekt dat de directeur van het Adoptiebureau en de werkgever van haar biologische vader elkaar goed kenden. Beiden waren lid van Opus Dei, een besloten ultraconservatieve sekte binnen de Katholieke Kerk met grote invloed in de Spaanse politiek en samenleving. „Zij hebben van begin af aan samengespannen om mij te roven.”

Haar adoptieouders wisten niks van dit alles. Hen werd alleen een flinke geldsom in contanten gevraagd, zogenaamd voor de notariskosten. „Ook zij vonden het een vreemde gang van zaken. Maar bij wie hadden ze moeten aankloppen? De Kerk en het regime waren destijds één.”

Pas na de piek in de berichtgeving over de niños robados besloot Antònia begin 2011 een zoektocht te ondernemen. Haar adoptieouders waren inmiddels overleden. Ze wendde zich tot Adoptiezaken, dat sinds de jaren tachtig niet door geestelijken, maar door ambtenaren geleid wordt. Daar bleek directrice Maria Lluisa Servera bereid om in de archieven te duiken.

Afgelopen herfst kon Antonia met haar vader en halfzus herenigd worden. De eerste zondag dat Antònia de naam van haar moeder kende, ging ze bloemen leggen bij haar graf. Bijna wekelijks bezoekt Antònia haar hoogbejaarde vader. „Met hem kan ik niet praten over deze episode. Hij wordt dan zo kwaad en verdrietig dat hij dichtslaat.”

Antònia heeft geluk gehad dat de nodige documenten nog te vinden waren, legt directrice Servera uit. „Het zijn oude archieven, deels beschadigd of niet meer compleet. Daarnaast hebben wij als eilandbestuur alleen de toegang tot de archieven van openbare ziekenhuizen. Er is toestemming van de rechters nodig om te zoeken in die van private klinieken.”

Veel aanklagers en onderzoeksrechters reageren sceptisch op zulke verzoeken. In slechts een paar gevallen is overgegaan tot onderzoek en ook dat levert vooralsnog weinig op. Vaak omdat bewijsmateriaal ontbreekt, maar volgens de slachtoffers leven binnen justitie ook andere motieven. Antònia: „Het waren mensen uit de lagere klassen die beroofd werden. En het waren de hogere middenklasse en de elite die de kinderen kochten. Die laatste invloedrijke groep wil niet dat dit allemaal uitkomt.”

De Spaanse rechtspraak is daarbij sterk gepolitiseerd. Conservatieve magistraten, velen nog benoemd onder Franco, zijn in de meerderheid. Ook halfzus Barberá denkt dat onderzoek daarom als politiek onwenselijk wordt gezien. Ze heeft maar één troost: „Diep van binnen moeten ook deze brave katholieken wel geweten hebben dat ze ervoor zouden branden in de hel.”

    • Merijn de Waal