Mormonen dopen dode ouders nazi-jager

De mormoonse kerk heeft maandag publiekelijk excuses aangeboden voor het postuum dopen van de joodse ouders van Simon Wiesenthal, die tot zijn dood in 2005 streed om Holocaustmisdaden aan de kaak te stellen en Holocaustmisdadigers op te sporen.

Vorige week werd ontdekt dat Asher en Rosa Rapp Wiesenthal eind januari postuum gedoopt waren tijdens mormoonse ceremonies in Utah en Arizona. Het Simon Wiesenthal Centrum in Los Angeles reageerde woedend op het nieuws.

Rabbijn Abraham Cooper, een hoge functionaris van de joodse mensenrechtenorganisatie, noemde het „onacceptabel dat de zielen van vermoorde joden door een andere religie gekaapt worden.” Wiesenthals vader overleed in de Eerste Wereldoorlog, zijn moeder in een concentratiekamp in Belzec in 1942.

Binnen de mormoonse kerk is het mogelijk mensen postuum te dopen. De geest van de overledene zou de doop kunnen accepteren of afwijzen. Alleen mormonen gaan naar het hoogste niveau van de hemel, is de mormoonse overtuiging.

Volgens de kerk was de doop uitgevoerd door één kerklid, die inmiddels geen toegang meer heeft tot de database voor postuum gedoopten. De kerk sprak van een „serieuze breuk met ons protocol”.

In 1995 werd binnen de mormoonse kerk afgesproken Holocaustslachtoffers niet langer postuum te dopen, nadat ontdekt werd dat honderdduizenden van hen op Mormoonse lijsten stonden. Nu mogen mormonen alleen hun eigen voorvaderen laten dopen.

Ook andere religieuze instellingen, waaronder de katholieke kerk, hebben eerder bezwaar gemaakt tegen het postuum dopen van overledenen die bij leven niet mormoons waren. (AP, BBC, Reuters)