In Memoriam

Ongewoon veel bezoekers op de tentoonstelling In Memoriam, gewijd aan de tussen 1942 en 1945 vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen, in het Amsterdamse Stadsarchief aan de Vijzelgracht. Op een doordeweekse middag tel ik enkele honderden mensen die aandachtig langs de 65 meter lange tafel met 3.000 foto’s schuiven.

Het is een tentoonstelling die stante pede veel losmaakt bij de bezoekers. Men bestudeert getroffen de onschuldige gezichtjes op al die foto’s, of buigt zich aan een belendende tafel over teksten of het boek In Memoriam van Guus Luijters en Aline Pennewaard. Ook in het zaaltje achterin, waar vijftien gevallen apart belicht worden, is het druk.

Gesprekken bloeien spontaan op.

„Mijn dochter zegt: waarom deden die mensen niks terug?” zegt een struise vrouw van in de zeventig. „Ik zeg: Sandra, dat was veel moeilijker dan je denkt.”

„Ze werden opgehaald door politiemannen, Nederlandse politiemannen”, zegt een al even bejaarde man in het groepje om haar heen. „Die hadden wat meer kijk op wie er Joods was dan veel van die Duitse jongens.”

„Ik heb gezien hoe ze van straat gehaald werden, ik zal het nooit vergeten”, zegt de vrouw.

„De Duitsers wilden hen niet alleen vermoorden, maar vooral doen alsof ze er nooit geweest waren”, zegt Luijters in de documentaire Herinneringen aan een vermoord kind van Willy Lindwer die in de kelder van het gebouw te zien is. Daarom heeft hij geprobeerd die kinderen hun naam en identiteit terug te geven. Het is op een aangrijpende manier gelukt. Ze krijgen eindelijk een gezicht, letterlijk en figuurlijk.

In het zaaltje met de vijftien gevallen probeer ik er één te kiezen om nader te beschrijven. Dat valt niet mee, want wat moet het criterium zijn? Elk drama staat op zichzelf en is met geen ander te vergelijken.

Ik kies ten slotte voor Henriëtte Renée Landau (24-11-1938). Op de foto boven de vitrine staat ze met haar moeder afgebeeld. Haar moeder, in bloemetjesjurk, houdt haar met beide handen stevig vast.

Haar vader, Salo Landau, was een bekende schaakmeester die Aljechin assisteerde in zijn strijd om het wereldkampioenschap tegen Euwe. Toen de deportaties in 1942 begonnen, probeerde Landau met zijn vrouw Susanna van Creveld te vluchten naar Zwitserland. Hun dochtertje lieten ze onderduiken. De Duitsers haalden het echtpaar al in Breda uit de trein. Salo werd langdurig verhoord. Waar was Renée verborgen? Hij weigerde antwoord te geven en werd naar Westerbork en, drie dagen later, naar Auschwitz gestuurd.

Zijn vrouw geeft het adres wél en wordt in ruil daarvoor voorlopig vrijgesteld van deportatie. Renée wordt opgepakt en belandt in de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg, waaruit ze als een van de eerste kinderen wordt gered.

Maar na anderhalf jaar wordt ze op haar onderduikadres opnieuw verraden. Eerst moet ze naar Westerbork en vervolgens, met haar moeder, via Theresienstadt naar Auschwitz waar ze beiden op 14 oktober 1944 vergast worden. Renée is dan bijna zes jaar. Haar vader, via Auschwitz in Gräditz beland, is al een half jaar eerder gestorven.

Het verraad door de moeder is de dolk in dit drama. Het is ook het woord dat in de begeleidende tekst gebruikt wordt: verraad. Maar is dat het juiste woord voor een vermoedelijk afgeperste bekentenis? Kijk naar die foto erboven, daar zit een moeder die zielsveel van haar kind houdt. Laat ze zo maar voortleven.

    • Frits Abrahams