In 1944 waren Polen meer dan welkom

Poolse soldaten bevrijdden Breda van de Duitse bezetter. Sommigen wonen er nog, net als hun kinderen. Nu zijn ze opeens een politiek speeltje in handen van de PVV.

Nederland, Breda, 14-02-2012 Schilderij van Prof. Chr. Stefanoff geschonken aan HM Koningin Wilhelmina in 1948 voor haar 50-jarig regeringsjubileum. Het verbeeldt een poolse soldaat die de strijd overneemt van een nederlandse verzetsstrijder. Foto: Joyce van Belkom Joyce van Belkom

Pjotr Jan Nowinski, 88 jaar oud en inwoner van Breda, laat zijn oude soldatenjas zien. Hij ritst de plastic hoes open en haalt hem tevoorschijn: een korte, donkergroene jas. Op beide schouders zit een rood stiksel met in het wit zes ingenaaide letters. P - O - L - A- N - D.

Nowinski was soldaat in het negende bataljon van de Eerste Poolse Pantserdivisie. Die divisie bevrijdde, onder meer, Breda. Daarom woont Nowinski hier. Het was oktober 1944 en een mooie, Nederlandse vrouw stond langs de kant van de weg te juichen toen hij in zijn tank voorbij rolde. Ze ontmoetten elkaar en trouwden – hij in zijn legerjasje – en zijn nu 67 jaar samen.

De oud-soldaat wil wel wat kwijt, over de nieuwe website van de PVV, het meldpunt waar mensen anoniem klachten kunnen melden over Polen en andere Oost-Europese burgers die in Nederland wonen. Nowinski spreekt langzaam en zorgvuldig Nederlands: „Dat meldpunt had er nooit moeten komen. Het is een politiek speeltje. De PVV moet de Polen niet inmengen in een of ander spel.” Dan rolt hij een sigaret met zijn door reuma kromgetrokken handen en zegt: „Gelukkig heeft de burgemeester van Breda het meldpunt verworpen. De burgemeester komt op voor de Polen, omdat wij zijn stad hebben verlost van de Duitsers.”

Nowinski kan het allemaal navertellen. Hoe hij na de Duitse inval in september 1939 op zijn zestiende Polen uitvluchtte uit angst voor de Duitsers. Hoe hij na omzwervingen in Frankrijk belandde en daar zijn gymnasiumdiploma haalde. Hoe hij Frankrijk weer verliet en in Groot-Brittannië terechtkwam. Daar hadden Poolse militairen zich gehergroepeerd toen hun land bezet was door zowel de Duitsers als de Russen. Hij wilde medicijnen studeren, maar was inmiddels dienstplichtig.

En zo kwam het dat de 21-jarige Pool samen met duizenden landgenoten in Normandië landde. Ze stootten door, tot in België, Zeeuws-Vlaanderen, Brabant, tot aan het Duitse Wilhelmshaven. „Ik zag vele kameraden sneuvelen”, zegt Nowinski. „Maar ik had een engel op mijn schouder.” Hij laat het overblijfsel van zijn enige wond zien: een litteken op zijn pink, van een granaatscherf.

Jaja, zometeen zegt hij meer over dat meldpunt van de PVV. Maar eerst nog even dit. Vergeet niet: hij kón niet terug naar Polen, na de oorlog. De communisten waren aan de macht. Ze zagen hem en zijn Poolse divisiegenoten als landverraders, omdat ze met de westerse geallieerden hadden gevochten. Poolse soldaten die toch teruggingen naar hun vaderland, wachtte soms jaren gevangenisstraf of zelfs verbanning naar Siberië. „Het was gewoon verschrikkelijk.”

Dus bleef Nowinski net als honderden andere Polen in Breda, de stad waar zij ingekwartierd hadden gezeten in de winter van 44/45. In Breda of omgeving bouwden ze hun levens op, stichtten ze gezinnen. Ze gingen werken in staalfabriek en of, zoals Nowinski, bij de Hollandse Kunstzijde Industrie.

Hij voelt zich eerder een Nederlander dan een Pool, zegt hij. Maar als hij over het PVV-meldpunt praat, spreekt hij over zichzelf als Pool. „Behandel ons Polen niet als minderwaardige mensen”, zegt hij dan. „Ik weet dat er Polen zijn die overlast veroorzaken. Maar Nederlanders doen dat net zo goed.”

Tien minuten rijden van Nowinski’s huis staat een museum gewijd aan de Poolse generaal die zijn pantserdivisie aanvoerde. Het Generaal Maczekmuseum, gelegen op een kazerne van de Koninklijke Militaire Academie. De directeur van het museum, Frans Ruczynski, en museumvrijwilliger Wadec Salewicz zijn minstens zo gekrenkt door het PVV-meldpunt als Nowinski. De twee zijn allebei zoons van Poolse bevrijders die na de oorlog hier bleven wonen. Ze groeiden op in Breda en Oosterhout, zeggen ze in de museumzaal die volhangt met Poolse vlaggen, uniformen en legerhelmen.

Ruczynski (64): „Het meldpunt vind ik kwetsend. Nederlanders hebben een morele verplichting jegens de Polen. Let wel: op 49 kerkhoven in Nederland liggen Poolse soldaten begraven.” Over de nasleep van de oorlog: „Polen is willens en wetens aan zijn lot overgelaten. Het Westen, en dus ook Nederland, leverde ons land zo uit aan de Russen. Neem het de Polen eens kwalijk dat ze eindelijk, na decennia van onderdrukking, een graantje willen meepikken van de westerse welvaart.”

Salewicz (66) vindt dat de PVV en de klagers een toontje lager moeten zingen over Polen die hierheen komen. „In 1944 was er werkelijk geen enkele Nederlander die klaagde over de binnenkomst van Polen.”

Ruczynski: „Ik snap dat het zeer onprettig is om tien Poolse arbeiders als buren te hebben in je Rotterdamse benedenwoning. Maar bij het gros van de mensen is er geen onvrede over Polen. De Brabanders die ik spreek, zijn laaiend enthousiast. Poolse arbeiders werken hard.”

Wat beiden vooral kwalijk vinden: het meldpunt is een belediging voor hun vaders. Michal Salewicz was tankchauffeur, Konrad Ruczynski zat in de compagnie met zware machinegeweren. Na de oorlog werkten ze van vroeg tot laat, in fabrieken of als vrachtwagenchauffeur.

Ruczynski: „Vanuit het niets – echt niets – moesten ze een bestaan opbouwen.” Contact met hun familie in Polen was er zelden.

Salewicz: „Mijn vader bezocht Polen in 1975. Toen hoorde hij dat zijn ouders waren overleden.”

    • Ingmar Vriesema