Dood is dood

De dood wordt in de media eindeloos besproken. Euthanasie of niet. Maar wat betekent de dood in ons leven?

Filosoof

De grijze dame was de zoveelste oudere die in een praatprogramma haar doodswens uitte. Aanleiding was dit keer de Levenseindekliniek, een nieuw initiatief om patiënten met een niet-gehonoreerde euthanasiewens alsnog te helpen. Binnen de wet.

Maar de discussie waaierde al snel uit naar de algemene wens om iedereen die ‘uitgeleefd’ is naar het einde te helpen. Een mens mag dat toch zelf bepalen? Artsen moeten zich daarin kunnen ‘inleven’. En vooral niet in de weg gaan staan.

Met al die vastberaden, soms verbeten doodspraat lijkt Nederland een nieuwe culturele fase te bereiken. Na de brede acceptatie van euthanasie doemt nu een nieuwe grens op: hulp bij zelfdoding van mensen die het leven moe zijn. Het is op, zeggen ze.

De dood wordt in de media nu overal en openlijk besproken, bijna even nuchter en zakelijk als de laatste herschikking van het basispakket. Daarbij gaat het allang niet meer alleen om euthanasie, maar om de vraag hoe we tegen de dood aankijken. Wat betekent de dood in het moderne leven?

De filosoof Heidegger zei het zo: de dood is de uiterste individuele mogelijkheid van een mens, die hij niet moet wegpraten of ontkennen, maar „op zich moet nemen”. Je dood is, meer dan iets anders, van jou alleen.

Dat is geen ‘westers’ idee. Neem dit doodsgedicht van de Japanse dichter Tomoda Kimpei:

Toen ik leefde was ik

een van de bekendste bloemen

toch, verwelkt

ben ik vast en zeker

Tomoda Kimpei

Maar Heidegger en de Japanse dichter zouden in het moderne enthousiasme voor de dood vermoedelijk óók een vorm van weglopen zien, een poging om de dood te domesticeren als een persoonlijk gebruiksartikel. Want je dood mag dan van jou alleen zijn, dat wil niet zeggen dat je hem naar eigen wens kunt gebruiken. Het betekent eerder: jouw dood overkomt alleen jou.

Ja, Japanse samoerai pleegden zelfmoord, om een leven vol schande te voorkomen. Maar zij zagen seppuku of harakiri niet als een eigen keuze, maar als een plicht aan hun meester.

Japan kent een lange traditie van doodspoëzie, door Zen-monniken en anderen (te vinden in Japanese Death Poems van Yoell Hoffmann). Uit die gedichten spreekt een serene en nuchtere benadering van leven en dood, soms met een hint van melancholie, zoals bij de haiku-dichter Nandai:

Altijd al

kennen alleen de doden rust

leven is smeltende sneeuw

Of met zelfspot, bijvoorbeeld die van Morikawa Kyoriku:

Ik dacht altijd

dat de dood iets was

voor mensen zonder talent

als ook zij met talent

moeten sterven

maken ze toch wel

betere mest?

In die gedichten zie je geen spoor van de christelijke worsteling met de dood. Maar ook niet van de krampachtige blijmoedigheid die het ‘zelf kiezen’ tegenwoordig begeleidt. Trouwens, het gaat er in het boeddhisme om te ontsnappen aan de kringloop van geboorte én dood. De dood zelf brengt geen verlossing.

Heidegger moest op zijn beurt niks hebben van het ‘rekenende denken’ dat alles naar zijn hand wil zetten, inclusief de eigen dood. Daar is de dood te belangrijk voor, in zijn bekendste werk, Sein und Zeit (1926). Menselijk leven is niet alleen maar eindig, het is altijd al sein-zum-Tode. De dood is „de mogelijkheid van de volslagen onmogelijkheid van het er zijn”.

Op het eerste gezicht speelt hier een verschil tussen morele autonomie of heteronomie. Bepaalt een mens zijn eigen regels of is hij onder ‘wetten’ gesteld die hij zelf niet heeft gemaakt? In het eerste geval zou hij ook over zijn dood moeten kunnen beslissen. In het tweede geval moet hij zich schikken en afwachten wat hem overkomt. Een tragische levensopvatting. Dan zou je zeggen dat het moderne Nederland gedrenkt is in een autonoom mensbeeld, terwijl Heidegger en de Japanse dichters uitgaan van een heteronoom idee.

Maar zo simpel is het niet. Want wanneer ben je autonoom? Volgens Heidegger leef je pas „eigenlijk” wanneer je je lot op je neemt en niet probeert te manipuleren. Meestal lopen mensen daarvoor weg, in een „permanente geruststelling over de dood” – waartoe Heidegger vast ook die moderne tv-debatten zou rekenen. Wie zijn eindigheid tot zich laat doordringen, laat de angst voor het Niets toe, een angst die hij moet „uithouden”. Alleen dan is het mogelijk om eigenlijk, in de zin van authentiek, te leven.

Dat ‘eigenlijke’ leven betekent niet alles eruit halen wat er in zit. Zulke beeldspraak over je eigen leven als een bron van maximaal profijt is volgens Heidegger eerder een teken van weglopen voor de dood. Dus ‘eigenlijk’ leven en dan maar sterven in helse pijnen?

Ook veel conservatieve ethici vinden euthanasie gerechtvaardigd om het lijden van terminale patiënten te beëindigen. Maar niet als een algemeen ‘recht om te sterven’ dat door artsen moet worden gefaciliteerd: de dood op afroep. Dat kan bovendien, waarschuwen zij, leiden tot sociale druk op zieken en ouden om hun omgeving niet langer tot last te zijn en ‘plaats te maken’, los van wat ze zelf willen. Dus juist tot meer heteronomie.

Achter die tango van autonomie en heteronomie schuilt nog een andere vraag: wat is de dood voor ons? Een natuurlijk verschijnsel dat – net als de rest van de natuur – technologisch kan worden ingezet? En is doodgaan dan dus ook niet ‘erg’ meer?

In het christendom gold de dood helemaal niet als natuurlijk, maar als „de laatste vijand” (1 Korintiërs 15:26). De dood is een kwaad dat eigenlijk geen plaats heeft in de Schepping (die is immers goed) en dat door de opoffering van Christus is overwonnen. De dood accepteren als ‘natuurlijk’ was iets voor heidenen. De Zwitserse theoloog Karl Barth zette dat nog eens daverend uiteen in zijn Kirchliche Dogmatik, een formidabele aanval op alle humanistische hoogmoed. De dood is „een vreemde lotsbestemming, een kwaad, een vijand”. Doodsangst is dan ook een normale, zelfs juiste emotie. Tegelijkertijd is de dood voor christenen een oproep – een wake-up call in modern Nederlands – om je te bekeren. Niet voor niets horen bekeringen op het sterfbed tot het vaste repertoire van de Kerk.

In dat christelijke beeld van de dood sprongen diepe barsten met de Verlichting en de opkomst van het wetenschappelijke wereldbeeld. Het geloof in hemel, hel en ‘de ziel’ wankelden – en vielen. Daarvoor in de plaats kwam het moderne levensgevoel, opgebouwd uit vooruitgangsgeloof, de overtuiging dat de wereld maakbaar is en rationele individuen over hun lot moeten kunnen beschikken. En het laatste recht dat een individu toekomt, is de beslissing over zijn eigen dood.

Zo is de omarming van de dood een volgende stap in de secularisatie, of ontkerstening. In een samenleving die voor het overige er juist alles aan doet de dood buiten de deur te houden: we leven niet voor niets langer dan ooit tevoren.

Maar de verdeeldheid zal blijven, ook in een cultuur die niet langer christelijk is. Analytisch filosoof Thomas Nagel geeft in The View From Nowhere een mooie, seculiere analyse van zijn eigen afkeer van de dood: die is logisch, omdat de dood een einde maakt aan het subjectieve perspectief. Je kunt je wel een objectieve wereld voorstellen zonder jezelf erin, maar niet subjectief – want jij bent het die je die wereld voorstelt. En juist dat verdwijnt met de dood – een verbijsterend, en ellendig, vooruitzicht, vindt Nagel.

De Leidse filosoof (en Heideggeriaan) Th.C.W. Oudemans onderstreept in De verdeelde mens (1980) dat mensen altijd verdeeld zullen blijven tussen de wens om authentiek te leven en de onmogelijkheid om dat vol te houden. We „menen op alle onvermijdelijke wedervaren verwerkend vooruit te kunnen lopen”, schrijft hij, met „technieken van manipulatie, communicatie en verzorging. Alsof het te vermijden, verwerken, aanvaarden of in de persoonlijkheid te integreren is.”

Maar de werkelijkheid is weerbarstiger. Het leven laat zich niet integreren, en de dood ook niet.

Zoals de dichter Toko schreef:

Doodsgedichten

zijn ook maar illusie

dood is dood

    • Sjoerd de Jong