Consultants helpen bij verdelen subsidies

De Raad voor Cultuur beoordeelt de komende maanden subsidieaanvragen van ruim honderd instellingen. Er is minder geld te verdelen, dus er moet scherp gekozen worden. Hoe pakt de raad dit aan?

Groepjes koffiedrinkers staan te praten in de hal van het statige pand van de Raad voor Cultuur in het Haagse Statenkwartier. Ook elders in het gebouw volop bedrijvigheid, afgelopen donderdag en vrijdag. De 50 commissieleden van de raad volgden een training hoe ze hun adviezen over het verdelen van de subsidies moeten gaan uitbrengen.

De Raad voor Cultuur heeft sinds kort een nieuwe voorzitter, Joop Daalmeijer, en vorig jaar trad Jeroen Bartelse aan als algemeen secretaris. Zij pakken dit werk anders, systematischer aan dan hun voorgangers. Bovendien adviseren zij aan een staatssecretaris die nieuwe eisen stelt. Behalve kwaliteit vindt staatssecretaris Zijlstra (VVD) ondernemerschap en publieksbereik belangrijk.

De Raad voor Cultuur moet uiterlijk 1 juni advies uitbrengen aan Zijlstra over de subsidies. Vandaag krijgt de raad van hem de officiële adviesaanvraag, met daarin richtlijnen voor de beoordeling. Vroeger was er één criterium: kwaliteit. Nu zijn er vijf extra: ondernemerschap, publieksbereik, educatie, (inter-)nationaal belang en geografische spreiding. Voor een aantal sectoren, zoals dans en theater, is daarnaast talentontwikkeling relevant. Musea worden ook beoordeeld op hun collectie en wetenschappelijke taak. Maar kwaliteit staat voor de raad nog altijd voorop. „Dat is niet compenseerbaar”, zegt Daalmeijer. „Kwaliteit blijft nummer 1.”

Het meest in het oog springende verschil met hoe er in het verleden werd beoordeeld, is dat niet alleen commissieleden kijken naar de subsidieaanvragen, maar ook externe bureaus. Consultancybureau Rebel, negen jaar geleden opgericht door acht economen in Rotterdam, is ingehuurd om te kijken naar het ondernemerschap van de aanvragers. Rebel is gespecialiseerd in constructies waarbij publieke en private partijen samen investeren in projecten. Dat sluit aan bij het streven van het kabinet culturele instellingen meer geld uit de markt te laten halen.

Adviesbureau Claudia de Grauw in Rijen doet de analyse van educatie en talentontwikkeling. De Grauw werkte bij onderzoekbureau IVA, aan de Universiteit van Tilburg, en richtte in 2010 haar eigen bureau op. Ze evalueerde onder meer een interactieve gezinstentoonstelling in Museum Volkenkunde in Leiden. Ook onderzocht ze het gemeentelijke cultuurbeleid in Noord-Brabant. De twee bureaus laten weten dat ze niemand informatie mogen geven over de manier waarop ze te werk gaan. Hun opdrachtgever, de Raad voor Cultuur, is de enige woordvoerder.

Deze analyses worden gebruikt door de tien commissies van de raad die de aanvragen beoordelen. De commissies zijn verdeeld naar sectoren, bijvoorbeeld podiumkunsten, musea en beeldende kunst. De leden zijn aangenomen op basis van hun expertise en werken vaak in het veld waarover ze advies uitbrengen. In de Tweede Kamer was de afgelopen jaren kritiek te horen op dit systeem van ‘peer review’. Onder meer de VVD vroeg zich af of de commissieleden objectief kunnen oordelen. De verdenking is al gauw: dit keer geef ik jou geld, zodat jij mij de volgende keer kunt spekken. Of: ik geef die instelling niets, dat is mijn concurrent.

De Raad voor Cultuur heeft nu een code opgesteld om belangenverstrengeling te voorkomen. Commissieleden mogen niet zijn verbonden aan of betrokken bij instellingen die belang hebben bij de subsidies waarover ze adviseren. Ook persoonlijk mogen ze geen belang hebben bij het verdelen van subsidiegelden.

De beoordeling van de subsidieaanvragen gaat volgens een strak schema, dat is bedoeld om de beoordeling transparanter te maken en beter te verantwoorden. Tijdens hun trainingsdag vorige week kregen de commissieleden uitleg over het stappenplan dat ze voortaan moeten volgen. De eerste stap is dat elk commissielid de aanvragen thuis, individueel, moet beoordelen. Zo moet worden voorkomen dat er ‘groepssolidariteit’ ontstaat: dat alle commissieleden hetzelfde oordelen over de instelling die ze bespreken. Op een alleen voor hen toegankelijke website moeten de commissieleden de instellingen beoordelen. Voor elk criterium moeten ze punten geven: van één tot vijf. Die beoordelingen worden gebruikt als basis om binnen de commissie te discussiëren over instellingen. „In het gezamenlijke advies dat de commissie uitbrengt, staan geen cijfers maar een lopend verhaal”, legt Jeroen Bartelse uit. „De puntentelling is bedoeld om te ontdekken hoe je als individueel commissielid denkt over een subsidieaanvraag.”

Vervolgens moeten ze als commissie advies uitbrengen. Daarbij wegen niet alle criteria per se even zwaar. Een instelling kan er bijvoorbeeld voor kiezen om uit te blinken op cultuureducatie en dan wat minder aan ondernemerschap doen.

Daarnaast kijkt de commissie naar het belang van instellingen in het totale aanbod. „We moeten opletten wat er tussen wal en schip dreigt te vallen”, zegt Daalmeijer. Ook provincies en gemeenten geven de komende tijd vaak minder geld aan cultuur. Dat geldt eveneens voor de zes landelijke cultuurfondsen, zoals het Fonds Podiumkunsten en het Mondriaan Fonds voor beeldende kunst. Dat wordt allemaal meegenomen in het uiteindelijke advies.

In totaal kwamen er 119 aanvragen binnen voor subsidie, waarvoor 1 februari de sluitingsdatum was. Vier jaar geleden waren dat er wel 300. Het huidige aantal wordt waarschijnlijk nog minder, omdat aanvragen tot 24 februari bijgewerkt kunnen worden. Het ministerie helpt daarbij, door in gesprek te gaan met instellingen. Zo hebben in het zuiden van het land twee orkesten ieder een plan ingediend om subsidie te krijgen. Het ministerie wil liever dat het Limburgs Symphonie Orkest en het Brabants Orkest samen één aanvraag doen. Dan maken ze ook kans op een samenwerkingsbonus van 1 miljoen euro. Ook Holland Symfonia en Het Nationale Ballet kwamen ieder met een eigen aanvraag, terwijl een gezamenlijke gewenst was. De postacademische opleidingen voor beeldende kunst, de Rijksakademie en De Ateliers, kwamen eveneens elk met een voorstel, terwijl Zijlstra in de Kamer vorig jaar zei te hopen op een gezamenlijke aanpak.

Voor de 137 miljoen per jaar die beschikbaar is voor rijksmusea zijn meer aanvragen binnengekomen dan bij de vorige ronde. Behalve de dertig huidige rijksmusea wil onder meer het Theater Instituut Nederland (TIN), nu een ‘sectorinstituut’, door als museum. Onderdak heeft het TIN al, in de Stopera. Maar of de rijkssubsidie doorgaat, moet het zoals alle instellingen nog maar zien.

    • Claudia Kammer
    • Birgit Donker