Spaanse arbeidsmarkthervormingen schieten tekort

Omdat de werkloosheid 23 procent van de beroepsbevolking bedraagt, wist de nieuwe conservatieve regering van Spanje dat zij de arbeidsmarkt moest hervormen. Maar het plan dat zij uiteindelijk naar buiten heeft gebracht, is niet genoeg om de werkgelegenheidsgroei adequaat aan te zwengelen.

Een van de kernproblemen is dat de rigide regels het voor veel ondernemingen onmogelijk maken aanpassingen door te voeren in de lonen, die de neiging hebben de inflatie te volgen. Op grond van de nieuwe wetgeving zouden bedrijven de kans krijgen zich te ontworstelen aan sectorbrede contracten. Ze zouden vrijer zijn om de arbeidstijd en de salarissen vast te stellen. Het plan omvat ook maatregelen om de fraude met werkloosheidsuitkeringen en het werkverzuim te bestrijden.

Maar een van structurele problemen – een tweeledige arbeidsmarkt, met zeer goed beschermde 'insiders' – is niet goed aangepakt. Als de economie in zwaar weer terecht komt, zijn werknemers met tijdelijke contracten (ongeveer een kwart van het totaal) als eersten de klos. Het invoeren van één enkel, permanent contract met in de loop der tijd oplopende kosten in geval van opzegging, zou een einde hebben gemaakt aan deze dualiteit.

In plaats daarvan heeft de regering de afvloeiingskosten bij onbillijk ontslag teruggebracht. In de nieuwe wetgeving worden ook de voorwaarden uiteengezet op grond waarvan ondernemingen – voor ieder jaar van het arbeidsverleden – twintig dagen salaris mogen betalen in geval van ‘gerechtvaardigde’ ontslagen. Deze flexibiliteit zou permanente contracten minder kostbaar kunnen maken voor bedrijven, hoewel het op de korte termijn tot meer werkloosheid kan leiden.

De regering heeft een paar maatregelen genomen om het creëren van nieuwe arbeidsplaatsen te bevorderen, door méér nieuwe, gesubsidieerde contracten in te voeren. Deze zijn gericht op kleinere bedrijven, als zij jonge werknemers in dienst nemen voor een proefperiode van één jaar (waardoor er feitelijk opnieuw sprake is van een tijdelijk contract). Maar zo’n gedetailleerde aanpak heeft in het verleden niet goed gewerkt.

Tenslotte hervormt de regering de arbeidswetgeving wel, maar doet zij niet zoveel aan de arbeidskosten. De belastingkloof in Spanje – het verschil tussen wat een onderneming haar werknemers officieel betaalt en wat zij feitelijk ontvangen – is bijna 40 procent. Dat is 5 procentpunten meer dan het OESO-gemiddelde. Ziektekosten- en pensioenpremies nemen een groot deel van dit verschil voor hun rekening. Bezuinigingen zouden kunnen worden gefinancierd door een stijging van het BTW-tarief, zoals andere Europese landen hebben gedaan of van plan zijn. De regering mag dit niet zo'n goed idee vinden, als zij de werkloosheid op beslissende wijze wil aanpakken, is dit een stap die zij misschien zal moeten zetten.

Fiona Maharg-Bravo

Vertaling Menno Grootveld