Niets verheffen tot iets

Voetbaljournalisten zijn een apart slag, merkt Marcel van Roosmalen. „Over sommige zaken wordt niet geschreven, daar komen scheve verhoudingen van.”

Marcel van Roosmalen

Schrijver

WAALWIJK - RKC - Ajax, 0-1, Mandemakers stadion, 11-12-2011, voetbal, eredivisie, seizoen 2011-2012. Cameraman aan het werk, pers, TV. Toin Damen

Voor het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras mengde ik me een paar seizoenen onder de voetbaljournalisten, in mijn geval stukjestikkers uit de regio Arnhem die iedere dag een nieuwtje over Vitesse moesten brengen. Een donkere wereld.

Mijn eerste ‘persuurtje’ – een moment op de vrijdagmiddag waarop de pers door de trainer werd bijgepraat – was in een hok naast het washok op ‘De Slenk’, het trainingscomplex van Vitesse. We kregen broodjes kaas en broodjes ham.

Gerard van De Gelderlander zei dat hij niet wist wat er allemaal gebeurde in de voetbalwereld. „Ik lees Voetbal International niet meer. Mijn chef Egbert neemt ’m mee naar de wc. Dan hoeft het van mij niet meer.”

Marco van Omroep Arnhem kwam vloekend binnen. Hij had koffie geknoeid op zijn trui en sprak in de microfoon van zijn opnameapparaat.

„Test, test, test… rotapparaat.”

Hij plofte in een stoel en zei: „Het wordt weer niets vandaag. Het apparaat doet het weer niet.”

Daarna ontdekte hij dat de broodjes kaas op waren.

„Potverdomme.”

Het gesprek ging inmiddels over borrelnootjes in voetbalkantines. Die waren volgens Gerard niet hygiënisch.

„Klopt”, riep Marco. „Daar zitten gemiddeld van twintig mensen urinesporen aan. Dat heeft TNO onderzocht.”

Dat soort gesprekken.

Wat ik me ook herinner: het eindeloze wachten op spelers na afloop van wedstrijden in de catacomben. En daarna de zinloze interviewtjes.

‘Ging lekker, toch?’

‘Wat ging er door je heen?’

‘Hoe is het met je kuit?’

Ik wilde dat ik na ieder stukje zo behandeld werd door de boven mij gestelden.

‘Leuk stukje, hè?’

‘Hoe is het met je vingers?’

Gesprekken van vijf minuten leidden soms tot pagina’s tekst. Ik vond dat kunst: het absolute niets verheffen tot iets. In zo’n geval ging ‘de klopper erin’. De uitdrukking ‘tikken met je kut’ bleef ook hangen.

Over sommige zaken werd niet geschreven, daar kwamen scheve verhoudingen van. Ik beperkte me tot randzaken, maar ze waren schijnbaar erg genoeg. Chris Dingsdag, vader van de inmiddels vergeten voetballer Michael Dingsdag, ging na publicatie van mijn eerste Vitesse-boekje naar me op zoek op de perstribune van het Gelredome. Omdat ik op het toilet zat, sloeg hij Egbert van De Gelderlander, die was ook niet objectief.

Het ging om niks.

Er gebeurden in die jaren ook andere dingen.

Op een trainingskamp ver van huis was een van de spelers jarig.

Hij kreeg als cadeau een hoer.

Een wat ouder exemplaar, niet iets om opgewonden van te raken.

Maar ach, de groepsdwang.

De betreffende speler liep een geslachtsziekte op, zoiets heet in de voetbalwereld ‘een hardnekkige liesblessure’.

Daarover schreef niemand.

Spelers, trainers, bestuursleden, sponsors en journalisten troffen elkaar na een oefenwedstrijd in Spanje in het plaatselijke bordeel, ook niet iets om over naar huis te schrijven.

Een paar maanden geleden luisterde ik naar het radioprogramma Echte Jannen, ‘een journalistiek programma om van wakker te liggen’. Dat klopte, het was heel geestig bedoeld allemaal. Ik bleef hangen vanwege de hoofdgast: Jaap de Groot, chef sport van De Telegraaf. Hij had het over Apache-indianen en dat-ie daar een zekere verwantschap mee voelde, als ik het me goed herinner was zijn moeder een Apache of zoiets.

Later zag ik hem bij Pauw & Witteman, waar hij voor de zoveelste keer mocht zeggen wat Johan Cruyff allemaal vond. Jaap zei prachtige zinnen als ‘Elk woord wat je uitspreekt ligt op een bananenschil’. Jaap de Groot had vettig lang haar en zag eruit zoals hij schrijft, als een gehaktbal.

Z’n trouwe assistent Mike Verweij kwam ook wel eens bij Vitesse. Als Jaap een gehaktbal is, is Mike toch minimaal de frikadel onder de sportjournalisten. Hij schreef samen met Patrick Kluivert een boek en logeerde daarvoor een maand bij de voetballer in Barcelona. Arme Patrick, de rest van zijn leven komt hij niet meer van Mike Verweij af, want zo werkt dat bij De Telegraaf. Ze blijven je vriend en vrienden vertellen elkaar wel eens wat. En als je dat niet doet, herinneren ze zich ineens een bordeel.

Omdat ik ooit een paar zinnen over zijn werkwijze bij Vitesse schreef, vroeg Mike Verweij in een gesprek met de toenmalige directie van Vitesse om een stadionverbod voor mij in het Gelredome. Hij voelde zich ‘niet veilig om zijn beroep uit te oefenen’ en was bang dat hij zich niet kon beheersen als hij me zag. Een klap op de bek werd niet uitgesloten. Niets om echt bang van te worden. Ik ben niet sterk, maar in het geval Mike Verweij acht ik mezelf niet kansloos. Voor Jaap de Groot ben ik overigens wel bang, maar dit terzijde.

Mike voegde eraan toe dat het niet inwilligen van zijn verzoek grote gevolgen voor de club zou hebben. Kort daarop verschenen voorpagina-artikelen over de diefstal van onderbroeken uit de kleedkamer en de krant meldde ook dat Vitesse-spelers vals zouden spelen aan de pokertafels van het Holland Casino.

Ik kreeg nooit een stadionverbod van Vitesse, en na de overname van de club heeft De Telegraaf daar ook nooit meer om gevraagd. Er waren opeens andere belangen.

Gevoel voor humor kan ze overigens niet worden ontzegd. Zo moest ik heel hard lachen toen ze laatst verontwaardigd reageerden op het bericht dat er binnen Ajax stemmen opgingen om De Telegraaf wegens stemmingmakerij de toegang tot de Arena te ontzeggen. Dat zou een ‘bloody shame’ zijn, een grove aantasting van de persvrijheid.

    • Marcel van Roosmalen