zelfverblinding van autocraten

Het verschil tussen de dictator en de democratische politieke leider is dat de autocraat niet weet wanneer zijn tijd gekomen is. Een voorbeeld daarvan is de Senegalese president Abdoulaye Wade (85). Twee keer democratisch gekozen, maar nu ambieert hij een derde ambtstermijn in weerwil van de door hemzelf opgestelde grondwet. Tegenstanders, zoals de populaire zanger Youssou N’Dour, laat hij uitschakelen. Ondertussen loopt het land tegen hem te hoop.

Iedereen ziet dat de strijd van Wade uiteindelijk gedoemd is te mislukken. Iedereen, behalve Wade zelf.

En hij is niet de enige die zijn eigen positie niet kan doorgronden. Het andere actuele voorbeeld is president Bashar al-Assad van Syrië. Die begon een oorlog tegen zijn eigen volk. En zo’n oorlog kan maar op een manier aflopen: met zijn exit. Maar hij lijkt het niet te beseffen. Hij treedt steeds op in een collegezaaltje met fervente medestanders en trekt van leer tegen de imaginaire buitenlandse vijanden van zijn land. Ook Wade wijt de onvrede in het land overigens aan het buitenland.

Er moet iets zijn in de geestesgesteldheid van autoritaire leiders dat het onmogelijk maakt zichzelf te zien als ze eenmaal het pad van de ondergang zijn ingeslagen.

Een greep uit een recent verleden levert namen op als president Hosni Mubarak van Egypte, Moammar Gaddafi van Libië en Laurent Gbagbo van Ivoorkust. Machthebbers, die ondanks alle verschillen, met elkaar gemeen hebben: de blindheid voor hun eigen lot.

Natuurlijk kan van een dictator, net zo min als van een gekozen leider, verwacht worden dat hij bij het eerste protest de vlag strijkt. Het protest moet lang aanhouden, massaal en ontwrichtend zijn. En het protest moet welgemeend zijn. Dus doorgaan ondanks het geweld dat de staat toepast. Als dan ook de internationale gemeenschap zich gaat bemoeien met de troebelen (sancties!) moet bij de autocraat toch een belletje rinkelen. Zeker als tegoeden worden bevroren, handelsstromen opdrogen en toeristen wegblijven.

Toch lopen veel autocraten dezelfde weg af: die begint met het beloven van democratische hervormingen, het in gesprek gaan met de oppositie, en zelfs de belofte van aftreden op termijn. En die eindigt met toelaten van internationale waarnemers, terwijl ordetroepen met scherp schieten op de eigen burgers. Het is tunnelvisie, ijdelheid en trots. Maar misschien is het ook het omhelzen van het noodlot. Gaddafi moet geweten hebben dat hij de door hemzelf gecreëerde hel niet zou overleven. Kenmerkend voor de dictator is zijn vaste overtuiging dat de macht hem toekomt. Hij valt samen met zijn functie. Buiten macht bestaat hij niet.

    • Frank Vermeulen