Sjinkie, zo dom maar dan weer zo geniaal

De Nederlandse shorttrackers zijn dit seizoen in opmars. Onder aanvoering van schaatsvirtuoos Sjinkie Knegt liet de ploeg in Dordrecht zien bij de wereldtop te horen.

Opzwepende muziek, een oogverblindende lichtshow, volgepakte, verwarmde tribunes en, tussen de rondvliegende ijssplinters op de baan, een fenomeen op schaatsen.

De Sportboulevard in Dordrecht trilde op zijn grondvesten toen het Friese supertalent Sjinkie Knegt (22) gistermiddag de Nederlandse aflossingsploeg met een onnavolgbare manoeuvre naar een gouden medaille leidde, tijdens de finale van de wereldbekerwedstrijden. „Zo’n feest als dit heb ik als shorttracker nooit meegemaakt”, zei Jorien ter Mors, zelf goed voor zilver op de 1.000 meter. „Dit kan een kantelpunt zijn voor deze sport, niet alleen in Nederland. Ik denk dat shorttrackevenementen er in de toekomst zo zullen uitzien.”

Het Nederlandse publiek ontdekt langzaam het spectaculaire shorttracken als alternatief voor het als saai bestempelde langebaanschaatsen. Zeker nu het een nieuwe ijsheld in de armen heeft gesloten, luisterend naar een bijna vertederende voornaam. In het ijsstadion van Dordrecht lag ‘Sjinkie’ op ieders lippen bestorven.

Van schlemiel tot held, binnen een etmaal. Zoals het een geniale sporter betaamt, zei bondscoach Jeroen Otter met een grijns. Zaterdag had Knegt het extatische publiek tot wanhoop gebracht, toen hij in de finale van de 1.000 meter een gouden plak wegsmeet door een halve seconde te vroeg te juichen. Terwijl hij jubelde over het nakende geluk zag hij in zijn ooghoek een Canadese schaats de lijn voorbijkomen. „Heel dom”, oordeelde hij naderhand over zichzelf. „Dat overkomt me geen tweede keer.”

Een dag later, tijdens de aflossing, nam de Europees kampioen revanche – in stijl. Met zijn geweldige techniek wurmde hij zich in de allerlaatste bocht naar de eerste plaats – en hij juichte deze keer niet voordat zijn schaats de finishlijn helemaal had gepasseerd.

„Dat is de onvoorspelbaarheid van het genie”, glunderde Otter. „Dat zie je met ongelooflijk getalenteerde mensen wel vaker: hoe is dat in vredesnaam mogelijk, te vroeg juichen? Maar zijn laatste ronden op de aflossing waren de twee meest indrukwekkende die ik ooit heb gezien; met zó veel snelheid, op zúlk uitgereden ijs. Sjinkie is een virtuoos op schaatsen. Maar zijn brein kan alle kanten op, echt 180 graden. Ik krijg heel veel grijze haren van hem, maar hij bezorgt me nog meer moois.”

Het goud op de aflossing betekende een passend slot van een uniek evenement, de eerste wereldbekerfinale op Nederlandse bodem. Hoe fraai de zege in de aflossingsfinale voor Nederland was, werd aangetoond door de verliezers: Zuid-Korea is regerend wereldkampioen, Canada olympisch kampioen.

Maar het succes van Knegt en zijn drie ploegmaten was lang niet het enige dat het publiek in vervoering bracht. Naast het aflossingsgoud was er individueel zilver voor Knegt en Ter Mors, en brons voor de routinier van de ploeg, Niels Kerstholt. In de finale van de duizend meter stonden drie Nederlanders – ook dat was nooit vertoond.

Zoveel eremetaal tijdens een wereldbeker was een jaar of twee geleden nog ondenkbaar, erkent Otter, die na de Olympische Spelen van Vancouver (2010) werd aangesteld als opvolger van de Canadees John Monroe. Nederland mag op langebaan heer en meester zijn, het andere schaatsen wordt traditiegetrouw zwaar gedomineerd door Canadezen, Amerikanen, Koreanen en Chinezen.

Na Vancouver tekent zich langzaam een kentering af, met de opkomst van talenten als Knegt, Freek van der Wart en Daan Breeuwsma bij de mannen, en Ter Mors, Annita van Doorn en de zusjes Yara en Sanne van Kerkhof bij de vrouwen. De talentvolle generatie is hard bezig het gat met de wereldtop te dichten. Bij de Europese kampioenschappen, eind januari in Tsjechië, was de ploeg van Otter al veruit de meest succesvolle. Daar wonnen de Nederlandse aflossingsploegen, zowel de mannen als de vrouwen, voor het tweede achtereenvolgende jaar goud.

Otter (47), die in de jaren tachtig viermaal wereldkampioen werd met de Nederlandse ploeg en daarna vooral actief was als coach in het buitenland, wil niet alle eer voor de huidige successen opeisen. „Die basis was gelegd. Het bedje stond er, de matras lag er. Ik heb het laken recht gelegd en de boel een beetje opgeschud.”

Maar Otter heeft ook een waarschuwing. Nederland kan niet, zoals landen als Canada, plukken uit een arsenaal van duizenden shorttrackers. „De basis is heel smal. Als er morgen twee ziek worden heb ik geen WK-team meer. Zo eerlijk moeten we ook zijn. Dat is het verschil tussen shorttrack en grotere Nederlandse sporten als langebaanschaatsen, veldhockey of voetbal.”

Maar terwijl de dreunende beat op de Sportboulevard in Dordrecht versterft, wordt het vuur in de Nederlandse shorttrackploeg alleen maar aangewakkerd. Misschien willen jongeren als ze groot zijn nu nog het liefst Sven Kramer worden. „Maar kinderen die hier bij waren willen misschien wel Sjinkie worden”, zegt Otter. „Hoe meer evenementen je organiseert in Nederland, des te groter de sport kan worden. Wij kunnen de rock-’n-roll van het schaatsen worden.”

Dat het langebaanschaatsen wegens een gebrek aan modernisering, onder vuur ligt, zien de shorttrackers als een uitdaging. In Dordrecht werd het publiek niet vermaakt door een dweilorkest op klompen, maar door professionele dj’s, ondersteund door cheerleaders die uit de Super Bowl leken weg geplukt. Dat leverde een wel heel chauvinistisch Oranjefeestje op, waarbij louter het Nederlandse schaatsen werd gevierd.

De shorttrackers konden het wel waarderen. „Je gaat er wel harder van schaatsen”, zei Jorien ter Mors, die eerder dit seizoen maar net tekort schoot om zich ook op de langebaan op de drie kilometer te plaatsen voor de wereldbekerwedstrijden. Inmiddels voelt ze zich als shorttracker steeds minder het kleine zusje van de langebaancollega’s. „Dat is echt aan het veranderen, als je dit feest ziet. Ik denk dat de langebaan hier wat van kan meepakken.”

    • Rob Schoof