‘Nu wil ik weer de straat op’

Vertrekkend VN-journalist Margalith Kleijwegt sliep tussen de junks en hing rond op zwarte scholen: „Veldwerk is zo waardevol. Als je ergens langer blijft, blijkt de werke-lijkheid net even anders.”

Margalith Kleijwegt over Vrij Nederland: „Ik kon me goed onttrekken aan de hanengevechten. Ik ging ook nooit mee naar het café.” Foto Roger Cremers

„Ik wil de wereld in en kijken. Dat is mijn prozac.” Sinds 1 februari werkt journalist Margalith Kleijwegt, na 27 jaar, niet meer bij weekblad Vrij Nederland.

Directe aanleiding voor haar vertrek is een reorganisatie binnen de redactie van VN. Ondanks vrij stabiele oplagecijfers bleken ontslagen onvermijdelijk om dalende advertentie-inkomsten het hoofd te bieden. Vijf mensen verlaten de redactie, onder wie misdaadjournalist Marian Husken die per 1 april met de vut gaat. Kleijwegt bood aan te vertrekken. „Ik liep al langer rond met het plan om voor mezelf te gaan werken. Maar ik had zo’n fijne baan, zo’n stap zet je niet snel.” Moeite heeft ze er dus wel mee. „Ik heb alles aan VN te danken. Toen ik daar voor het eerst kwam, wist ik nauwelijks iets van journalistiek. Het is een enorme leerschool geweest, bovendien heb ik altijd alle vrijheid gehad om de reportages te maken die ik belangrijk vond.”

Voordat ze bij VN ging werken, woonde Kleijwegt eind jaren zeventig in de zwarte Londense wijk Brixton. „Ik was maatschappelijk werkster in Zuidoost-Londen en ging de probleembuurten af.” In 1984 begon ze haar carrière bij VN. „Als freelancer had ik een aantal artikelen geschreven voor HP/De Tijd. Ineens werd ik gebeld door VN-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse. Of ik langs wilde komen op de redactie. Ik dacht dat het een grap was.”

Op het kantoor aan de Raamgracht 4 werd Kleijwegt naar de kamer van de hoofdredactie geleid waar Ferdinandusse achter het bureau zat met een voetblessure. „Hij zei: en nu wil je zeker koffie hè? Dat moet je dan zelf maar pakken.” Na een kort gesprek werd ze uitgenodigd om de redactievergadering bij te wonen. „Ik heb meteen een voorstel gedaan om een reportage te maken in Amsterdam-West.” Dat plan resulteerde in een reportage van 22 pagina’s, getiteld ‘Deze kant van het paradijs’, met foto’s van Hans van den Bogaard. VN stond in die tijd bekend om zijn lange reportages. In het stuk schreef ze uitvoerig over het leven van de laatste bewoners in een straat in de Staatsliedenbuurt die op het punt stond gesloopt te worden. „Tien dagen zat ik tussen de krakers en illegalen. Ik sliep tussen de junkies. Er zaten zwangere vrouwen tussen, bovendien bleek er ook een illegaal café te zijn. Dat werd vervolgens een kwestie in de gemeenteraad.”

Het stuk vormde het begin van Kleijwegts carrière als verslaggever bij VN.Ze begon in een periode waarin VN net over zijn journalistieke hoogtepunt heen was. In de jaren zeventig was het blad nog het best gelezen linkse opinieblad van Nederland, halverwege de jaren tachtig kreeg het te kampen met dalende oplages. VN-redacteur Igor Cornelissen beschreef later in zijn boek Raamgracht 4 – Mooie jaren bij het weekblad hoe er in die tijd onder de redacteuren voortdurend conflicten speelden. Vooral de mannen gunden elkaar het licht in de ogen niet. „Ze waren getalenteerd maar hun gedrag was nogal destructief”, zegt Kleijwegt. „Maar ik kon me heel goed onttrekken aan de hanengevechten. Ik ging ook nooit mee naar het café. Ik volgde vooral mijn eigen weg.”

Toen in 1997 hoofdredacteur Joop van Tijn overleed, werd Kleijwegt door opvolger Oscar Garschagen (nu NRC-correspondent in China) gevraagd om aan te treden als adjunct-hoofdredacteur. „Oscar richtte zich op het nieuws, ik hield me vooral bezig met de grotere journalistieke producties.” Daarnaast had Kleijwegt ook een aantal managementtaken. Dat laatste ging haar minder makkelijk af. „Ik vind het lastig mensen te vertellen wat ze moeten doen. Ik bleek niet erg stressbestendig.”

Nadat Garschagen in 2000 onverwacht de overstap maakte naar het AD, besloot Kleijwegt zich weer op het schrijven te richten. Dat resulteerde in uiteenlopende reportages over de multiculturele samenleving, het onderwijs en de zorg. Daarnaast publiceerde ze een aantal boeken waaronder Onzichtbare Ouders. De buurt van Mohammed B. (2005), Het land van haat en nijd (2006), dat ze schreef met journalist Max van Weezel en Sofia (2010), een boek over een Marokkaans meisje dat verliefd wordt op een Nederlandse man.

Onlangs publiceerde ze ook Terug naar Oude Pekela, over de ontuchtaffaire van destijds. „Dat veldwerk is zo waardevol. Als je ergens langer blijft en goed kijkt en luistert, blijkt de werkelijkheid altijd nét even anders in elkaar te steken dan je aanvankelijk had gedacht.” Als voorbeeld noemt ze haar bezoek aan het Calvijn College waarover ze het boek Onzichtbare Ouders publiceerde. Hierin beschrijft ze haar ontmoetingen met ouders van leerlingen van een zwarte vmbo-school in Amsterdam-West. In de periode dat Kleijwegt in de klas ging zat, werd in de media de discussie gevoerd of het nog mogelijk was om les te geven over de Tweede Wereldoorlog op een Amsterdamse vmbo-scholen. „Er werd gesproken over groeiend antisemitisme onder jongeren. Ik wilde weten of dat waar was. Toen een Turkse jongen tijdens een les geschiedenis ‘Joden moeten we doden’ begon te zingen en zijn buurman dat even later overnam, bleken ze vooral te willen provoceren. Terwijl ik ervan uitging dat ze die opvattingen van huis uit meekregen. Het bleek voort te komen uit pure onwetendheid.”

Ook ging ze op zoek naar Jason, een leerling die al drie weken niet op school was komen opdagen. „Hij zat gewoon thuis bij zijn moeder. Hij werd door klasgenoten gepest en wilde niet terug naar school. Ik heb zijn mentor gebeld en gezegd wat er aan de hand was. Er kwam zorgoverleg, er waren protocollen, maar niemand kwam op het idee om Jason bij zijn kladden te pakken. Ook de deelraad heb ik erbij betrokken. Ondanks de leerplichtwet heeft hij uiteindelijk een jaar thuisgezeten.”

Haar betrokkenheid bij haar onderwerpen is groot. Is haar wel eens verweten dat ze te ver gaat? „Ik houd bewust afstand, zelfs als ik bij mensen thuis eet, is mijn rol is altijd volstrekt duidelijk.” Toch valt engagement niet uit te sluiten. „Als journalist moet je wel dingen aan de kaak stellen als ze niet goed functioneren. Als je dat op microniveau doet, kom je tot meer inzicht. Wat dat betreft, is journalistiek toch een manier om de overheid te controleren.”

Nu wil ze opnieuw de straat op. Haar plan is om te blijven schrijven, onder meer voor NRC Handelsblad. „Maar daarnaast ga ik ook kijken of ik projecten kan doen voor scholen of voor een instelling als jeugdzorg. Ik ga dus terug naar waar ik vandaan kom. Ik vind het troostend om te zien hoe we ons allemaal, met vallen en opstaan, door het leven heen worstelen.”