Massieve stem, fragiele levensloop

Whitney Houston was de koningin van de power ballad. Vanaf het begin van haar carrière doorbrak de succesvolle zangeres de raciale grenzen in de popcultuur.

Bij de American Music Awards in Los Angeles (2009) Foto Reuters

Soulzangeres en actrice Whitney Houston is zaterdagnacht door haar bodyguard levenloos aangetroffen in haar kamer op de vierde verdieping van het Beverly Hilton Hotel in Los Angeles. Zij was de koningin van de power ballad. Een diva die in haar glansrijke periode één van de succesvolste popmuzikanten werd die er ooit had bestaan, met een niet te onderschatten invloed op de hedendaagse popmuziek. Maar in een andere periode in haar leven werd ze een tragische vrouw in een diep dal vol drank, drugs en relatieproblemen.

Een arts deed pogingen Houston te reanimeren, maar zijn ingrijpen mocht niet meer baten. De politie heeft geen aanwijzingen voor een misdrijf, maar een doodsoorzaak is nog niet bekendgemaakt. De uitslag van het toxologisch onderzoek volgt over vier tot zes weken. Houston, die worstelde met een publiek beleden verslaving aan drank en drugs waardoor haar carrière volledig in het slop raakte, is 48 jaar oud geworden.

Haar grootste succes had de in Newark, New Jersey geboren Houston al meer dan vijftien jaar geleden. En haar verlammende worsteling met verslaving en een conflictueuze relatie voltrok zich in de schijnwerpers.

Toch bleef Houston een boegbeeld van de muziekindustrie: ze logeerde zaterdag in Los Angeles om op te treden in verband met de uitreiking van de Grammy Awards, de belangrijkste prijzen in de muziekindustrie. Een paar uur nadat ze dood was aangetroffen, had ze in aanloop naar die uitreiking zullen optreden op een besloten feest van haar mentor Clive Davis. Davis was de platenproducent die Houstons carrière begeleidde vanaf het moment dat hij haar als jonge vrouw hoorde zingen in een nachtclub.

Whitney Houston kan gezien worden als wegbereider voor het succes van zangeressen als Beyoncé, Mariah Carey en Christina Aguilera. Haar grootste successen vierde ze eind jaren tachtig en begin jaren negentig. Ze was de eerste vrouwelijke popartiest die bovenaan de Amerikaanse albumlijst binnenkwam, met haar tweede album Whitney in 1987. En ze was de enige popartiest die zeven Amerikaanse nummer-1-hits op rij scoorde, van het bezielde Saving All My Love For You uit 1985 tot en met Where Do Broken Hearts Go in 1987. Ze verkocht ruim 170 miljoen platen en is de meest gelauwerde popartieste uit de geschiedenis, met een totaal van 415 prijzen, waaronder zes Grammy Awards en 2 Emmy Awards.

Whitney Houston was een telg uit een indrukwekkend muzikaal geslacht. Haar moeder was gospelzangeres Cissy Houston. Ze is een nicht van Dionne Warwick en haar peetmoeder is Aretha Franklin. Houston tilde die rijke muzikale bagage naar een nieuw niveau; ze was met Michael Jackson het gezicht van de generatie zwarte popsterren die onder meer via MTV de cross-over maakte naar het brede poppubliek.

Vanaf het begin van haar carrière doorbrak Whitney Houston raciale grenzen in de popcultuur. Ze poseerde als fotomodel voor het tot dan toe vrijwel uitsluitend blanke tijdschrift Seventeen. Ze bracht invloeden van r&b naar de bovenlaag van de popmuziek en vermengde nadrukkelijk muzikale invloeden. Haar wellicht meest bekende hit, I Will Always Love You, was een cover van een song van countryzangeres Dolly Parton. In 1992 speelde Houston tegenover Kevin Costner in de interraciale romantische komedie The Bodyguard en werd ze ook een filmster.

In deze periode lag het hoogtepunt van haar carrière. In 1991, tijdens de Golfoorlog, zong ze in de pauze van de finale van de Super Bowl een bloedstollende versie van het Amerikaanse volkslied, The Star-Spangled Banner. En voor The Bodyguard nam ze I Will Always Love You op, het nummer waarin alles zat waar Houston om bekend stond: eeningetogen, loepzuiver begin dat uitmondde in de extatische uithalen waarmee Houston een bus omver leek te kunnen zingen.

Houston legde de basis voor de vocale krachtpatserij die in tv-talentenshows inmiddels gemeengoed is. Zoals vele r&b-zangers hun eerste liedjes en dansjes deden in het kielzog van Michael Jackson, zo inspireerde Houston generaties zangeressen. Met de kracht van haar stem en haar brede bereik, vormden haar liedjes de lakmoesproef voor nieuw zangtalent.

De zangeres maakte furore met up-tempoplaten, zoals de karakteristieke eighties-hit I Wanna Dance With Somebody of het door Wyclef Jean geproduceerde My Love Is Your Love uit de jaren negentig.

Maar Whitney Houston zal herinnerd worden om de ballads waarin haar massieve stemgeluid ruim baan kreeg. „Haar stem was de gouden standaard, zij doorbrak alle grenzen”, zei gisteravond Tommy Mottola, voormalige directeur van platenmaatschappij Sony en mentor van Houston-navolgers Mariah Carey en Céline Dion.

Houston kon zonder enige muzikale begeleiding een stadion met klanken vullen. Maar naarmate haar privéleven ontspoorde, raakte de stembandenacrobatiek steeds meer in de knel. Haar huwelijk in 1992 met r&b-zanger Bobby Brown was het begin van een turbulente periode vol drama, drugs, gewelddadige ruzies en afkickklinieken.

Hoewel de muziekindustrie Houston bleef waarderen, was dat in toenemende mate vooral vanwege haar vroege successen. In haar shows was Houston een schim van haar oude zelf. Ex-man Bobby Brown – het paar was in 2007 gescheiden – stortte de avond van Houstons dood halverwege een optreden van zijn r&b-groep New Edition in.

Zelf trad Houston, twee avonden voor haar dood nog op. Ze zong met Kelly Price de gospelklassieker Yes, Jesus Loves Me. Volgens haar omgeving ging het goed met haar en maakte ze zich op voor een nieuwe doorstart van haar carrière. Net als eerder bij Amy Winehouse was er altijd die hoop dat Houston haar privéproblemen zou overwinnen en een glorieuze comeback zou maken. Die zal nu beperkt blijven tot de eerste speelfilm waar de zangeres in speelde sinds The Preacher’s Wife uit 1996; het deze zomer te verschijnen Sparkle, losjes gebaseerd op het verhaal van The Supremes. Daarvoor nam Houston ook een aantal nieuwe nummers op.

    • Saul van Stapele