Ingespoten virus kleurt apenhersenen groen

Ratten en muizen die alzheimer of parkinson kunnen krijgen, zijn bekende proefdieren voor hersenwetenschappers. Het gebruik van apen als proefdier is problematischer. Niet alleen zijn er ethische bezwaren, ook technisch is het moeilijk om menselijke hersenziektes in apen na te bootsen.

Franse onderzoekers zetten vorige week in het blad Scientific Reports een stap die het gebruik van apen voor hersenonderzoek moet vergemakkelijken. Ze injecteerden vier pasgeboren resusapen met een virus, dat vervolgens een lichaamsvreemd gen afleverde in hun brein. Het was geen nuttig gen, maar een bekend ‘testgen’: het liet de hersencellen groen oplichten. Maar toch: „De hier gepresenteerde gegevens bereiden de weg voor het genetisch modelleren van hersenziekten in de resusaap”, schrijven zij.

Zeker voor muizen zijn er efficiënte technieken om dieren te voorzien van nieuwe genen, zoals een alzheimer-gen. Het resultaat is een muis die symptomen van alzheimer vertoont – een ziekte die bij muizen niet van nature voorkomt. Een ‘muismodel’, in vaktaal.

‘Aapmodellen’ zijn er veel minder. In 2008 pas maakten Amerikaanse biologen de eerste vijf genetisch aangepaste resusapen die de ziekte van Huntington konden krijgen. De onderzoekers hadden daartoe een huntington-gen in 130 apen-eicellen geïnjecteerd. Vier jaar later gaat het maken van ‘transgene’ apen nog steeds ongeveer zo. „De lage efficiëntie van transgenese in apen beperkt de toepassing voor medisch onderzoek”, schreven Chinese onderzoekers in 2010 in Proceedings of the National Academy of Sciences.

De vier resusaapjes in het Franse onderzoek zouden een alternatieve methode kunnen bieden. De aapjes werden geboren in een dieronderzoekscentrum in Peking, waarmee de Franse neurobiologen samenwerkten. Op de dag van hun geboorte kregen de aapjes een injectie in een ader, met het virus dat het gen voor groene fluorescentie in zich droeg. Toen de apen twee maanden later gedood werden om hun hersenen te onderzoeken, waren overal in het brein groen oplichtende hersencellen te vinden. In die cellen was dus het nieuwe gen terechtgekomen. Van het virus werden de apen niet ziek.

„Dit is een begin”, reageerde de Britse ontwikkelingsgeneticus Robin Lovell-Badge tegen het wetenschappelijk persbureau Science Media Centre. Hij wees meteen op de technische tekortkomingen van de methode. Het percentage hersencellen dat het nieuwe gen kreeg, was laag: maximaal 1 op 400 hersencellen had het nieuwe gen gekregen. „Het is onwaarschijnlijk dat dit genoeg is om met deze apen medische behandelingen te testen. Maar het biedt perspectief voor verder onderzoek.”

Het injecteren van apen met een virus om hun hersenen genetisch te veranderen, lijkt voor het proefdier vrij ingrijpend. Maar deze methode wordt zelfs al bij mensen toegepast, met zogenaamde adeno-associated virussen (AAV) die nieuwe genen kunnen inbrengen. Deze zijn een belangrijk hulpmiddel voor onderzoek naar gentherapie bij mensen. NRC