Column

In Born

Gisterochtend reed ik door het donker naar Born, want dat moest van de hype-politie. We hadden het de afgelopen week te weinig over Syrië en over de komende ontslagen bij NedCar, las ik her en der. We kletsten te veel over het verkeerde. De hype-politie deed dat zodoende evengoed, maar bedoelt desondanks nooit zichzelf, dus het zou wel weer aan mij liggen.

Om negen uur was er in de Sint Martinuskerk in Born een mis. Daar wilde ik beginnen. In Limburg verwacht je nog minstens een halfvolle kerk en een gebed voor de werknemers van NedCar. Maar in Born liepen welgeteld 21 mensen naar binnen. De meesten leken de zeventig voorbij. Zij groetten elkaar niet. Op het altaar geen woord over de fabriek.

Buiten sprak ik een oude man aan: doof. Voor de nog gesloten deur van café-biljart De Sjoester stonden bejaarde leden van de aquariumvereniging de kou weg te trappelen. Zij gingen zo vergaderen.

Ik vroeg een dame met een hondje of zij werknemers van NedCar kende. Daarover moest zij nadenken. Oja. Wim. Drie huizen naast het hare.

Wim en Lilian Princen. Ik belde aan. Het raam van hun voorkamer werd gevuld door een enorme, schaterende clown.

„Dat is een stukje samenspel”, zei Wim. „Als je weet dat andere mensen in je straat carnaval vieren, dan doe je dat.”

Wim Princen (53) werkt al 35 jaar bij NedCar, als logistiek medewerker. Lilian staat halve dagen in een apotheek.

Helaas, zei Lilian, hadden ze geen kinderen. Al was dat onder deze omstandigheden misschien eindelijk eens gunstig.

„De gezondheid gaat boven alles”, zei Wim.

Lilian knikte alsof zij dit al vaak probeerde te beamen: met opengesperde ogen.

Ben je bang, vroeg ik.

Ja, zei ze geluidloos.

Wim pakte verontwaardigd het Limburgs Dagblad. Ene Otto Guth van het bedrijf JobPeople bood medewerkers van NedCar „een nieuw concept”: acht maanden begeleiding bij het vinden van een nieuwe baan. Je hoefde alleen maar even je ontslagvergoeding bij Guth in te leveren.

Lilian deed haar best haar zegeningen te tellen: Ze hadden geen dure vakantie geboekt. „Mijn man lijdt namelijk aan heimwee. Hij wil altijd naar huis, zíék wordt-ie.” Zelfs in de Dolomieten. Het klonk spijtig.

Toen moesten zij de hond uitlaten. We namen afscheid.

Buiten stilte – op het droog klapperen van wat carnavalsvlaggen na. Trotse ouders hadden een metershoge foto van carnavalsjeugdprinses Vera aan de gevel van hun rijtjeswoning gehangen: een lief, bleek meisje met een brilletje.

Café-biljart De Sjoester was nu open. Achter een harmonicawand bromde tevreden de aquariumclub. Eigenaar Willy Pieters schonk koffie in.

„NedCar”, zei hij. „Leuk.”

Ik bevond me nu dus in het hart van Born, volgens Willy: zaterdag carnaval, vrijdag eerst nog artiestenavond. Met de zanger Patriek Verdriet.