Column

IJsheimwee

IJzel. Extreme gladheid. Files. Code rood. Woorden die je al heimwee naar het ijs geven nog voor het is gesmolten. IJsheimwee. Bestaat het? Wel degelijk. We kregen er het afgelopen weekend al last van, toen Amsterdam er nog steeds bij lag als een middeleeuwse schaatsidylle. Het leek alsof iedereen de laatste dagen op het ijs zo lang mogelijk wilde rekken. Er verschenen overal koek-en-zopiekraampjes en nog tot in de donkere uren zag je mensen over het ijs schichten.

Zaterdagavond werd op de Keizersgracht de zogeheten Keizersrace gehouden. Over een parcours van 160 meter joegen onbekende schaatsers elkaar in afvalraces een hele avond op. Er kwamen duizenden mensen op af, ze verdrongen elkaar in schaars kunstlicht op de kades en hingen kleumend tegen de gevels van de huizen. Amsterdam leek opeens zo’n provinciestadje waar ze al blij zijn met een kermiskoers rond de kerktoren, inclusief opgewonden omroeper.

Toch was de opwinding begrijpelijk. Het was vijftien jaar geleden dat de vorige Keizersrace gehouden kon worden. Vijftien jaar, onthou dit cijfer.

’s Morgens mocht ik mijn jongste dochter met haar zoontje Hidde op het ijs voor ons huis begroeten. Zij had, jawel, vijftien jaar geleden voor het laatst geschaatst en vroeg zich angstig af of het nog wel zou lukken. Ik schoot meteen in mijn rol als enthousiast bemoedigende vader, alsof ik er nooit uit was geweest.

„Dat verleer je niet, net als zwemmen”, riep ik, terwijl ze op haar geleende schaatsen de eerste wankele meters aflegde. Ze moest me nog even bij mijn arm vasthouden, ook zo’n moment waar je ijsheimwee naar kunt krijgen. Maar al snel raakte ze op streek en gleed ze weer van mij vandaan.

Hidde leek tijdens zijn debuut op het ijs nog geen kampioen in wording. Rennen op gewone schoentjes over het ijs vond hij machtig interessant, maar waarom kreeg hij toen die lastige dingen ondergebonden? Wat vonden al die ouwe mensen daar leuk aan? Hij kreeg het er alleen maar koud van.

Ik had even geen tijd voor hem, want een Engels schaatsmeisje in een vuurrood jack eiste mijn aandacht op. Ze gaf me haar iPhone, wijzend op de bevroren gracht om zich heen. Of ik even een fotootje van haar wilde maken, want dit was „once in a lifetime”. Nou ja, once in vijftien jaar, dacht ik terwijl ik er na de nodige voorzienbare onhandigheden in slaagde om toch iets vast te leggen waar ze in Kent nog lang van zouden opkijken.

Al deze opzienbarende ijsgerelateerde gebeurtenissen smolten snel weg toen ik zondagmorgen uit mijn raam keek. Als er een heks op een bezemsteel voorbij was gevlogen, had ik niet verbaasder gekeken. Over het ruw ogende ijs joeg een dame van royaal in de zeventig op een prikslee in haar eentje voorbij. Haar grijze haardos trotseerde fier de wind. Priksleeën is een eeuwenoude wintersport, waarbij de sleerijder zich met twee aluminiumstokken (vroeger van hout) afzet op het ijs. Je kunt er de snelheden van een goede schaatser mee bereiken, zoals ook deze dame. Ik haastte me naar het ijs. Zij was de eerste priksleeër die ik de afgelopen week had gezien. Toen ze even uitrustte, vroeg ik haar of ze dit vaker deed.

„Zeker”, zei ze, „zodra het kan. Ik ben laatst nog van Marken naar Volendam gereden.” Zwaar? „Valt mee. Je moet oppassen met remmen. Dat kun je alleen door met je lichaam achterover te hellen.”

Ze groette, maakte een royale draai – en weg zoefde ze.