Grijswitte rook van schapen in het Britse land

Veeverbranding, 2001. Foto Bloomberg

De dag waarop het Britse platteland in brand kwam te staan. Zo denken boeren aan 19 februari 2001. Bij een routinecontrole werd de besmettelijke dierziekte mond- en klauwzeer (MKZ) aangetroffen in een abattoir in Essex, waar dieren uit het hele land werden vernietigd. De besmettingen breidden zich razendsnel uit: naar Buckinghamshire, Isle of Wight en Cumbria. Tot eind maart werden er in het Verenigd Koninkrijk elke dag vijftig nieuwe besmettingen gemeld.

Om de epidemie te stoppen besloot het ministerie van Landbouw in een straal van drie kilometer rond een besmetting ook alle gezonde dieren te doden. Met behulp van het leger werden in het totaal 6,5 miljoen dieren preventief gecremeerd.

„Dikke rook kolkt over het land. Het ruikt niet naar barbecue, maar iets tussen bitter en zuur. Wie deze week de heuvels van Northumberland uitreed, onder een glorieuze wolkenlucht waar de zon schuin doorheen sneed, zag in het laagland van Cumbria tientallen van zulke vuren branden, meteen herkenbaar aan de streep grijswitte rook die opstijgt uit een lange sleuf”, schreef Hans Steketee, toenmalig correspondent van NRC Handelsblad.

Het VK ging op slot: boerderijen gingen in quarantaine, wandelpaden werden afgesloten, jaarmarkten uitgesteld. Europa sloot de grenzen voor Brits vee, vlees en melk. Uit voorzorg werden ook elders in Europa veehouderijen geruimd.

In de zomer was de epidemie onder controle, in 2002 werd het VK MKZ-vrij verklaard. Toen hadden 3.200 boeren het opgegeven, en waren de landbouw en de toeristenindustrie naar schatting 5,4 miljard pond inkomsten misgelopen.

Tegenwoordig betekent iedere nieuwe uitbraak van een veeziekte een onmiddellijk vervoersverbod. En al het vee wordt gemerkt.