Dienstregeling van NS is niet bestand tegen vorst en sneeuw

Vrijdag 3 februari en zaterdag 4 februari 2012 staan bij de Nederlandse Spoorwegen staan officieel te boek als een ‘zwarte dag’. Slechts 50 procent van de treinen kwam zonder noemenswaardige vertraging aan, zo blijkt uit interne gegevens van NS en Prorail. En dat terwijl alle stations gewoon bereikbaar waren. De complexe dienstregeling van de NS speelt een grote rol bij de problemen op het spoor. Niet alleen kapotte wissels of seinen.

De Nederlandse Spoorwegen hebben een harde definitie voor een rampdag op het spoor. Er is sprake van een ‘zwarte dag’ als minder dan 70 procent van alle treinen op tijd heeft gereden.

Vorige week vrijdag en zaterdag waren ‘zwarte dagen’. Op 3 februari begon het in de ochtend te sneeuwen. Wissels raakten ingesneeuwd, treinen gingen kapot. Terwijl het sneeuwfront over de Randstad trok, kwam het treinverkeer in het hele land tot stilstand.

Punctualiteitscijfers van NS en ProRail, die in bezit zijn van deze krant, laten de omvang van de problemen zien. Op vrijdag 3 februari reed slechts 51,2 procent van de treinen van NS zonder vertraging. Op zaterdag was het percentage met 53,1 procent nauwelijks beter. ‘Zwarte vrijdag’ en ‘zwarte zaterdag’ zorgden voor een enorme overlast voor reizigers. De vrijdagavondspits veranderde in een ijskoude chaos. Tienduizenden forensen stonden soms urenlang op een trein te wachten.

Volgens Ingrid Thijssen, directeur van NS Reizigers, was het ProRail die het had laten afweten. „We hadden genoeg treinen en genoeg personeel”, zei Thijssen. „Alleen het spoor waar we over moesten rijden, werkte niet.”

Maar interne gegevens van de afdeling reisinformatie van NS en ProRail schetsen een veel genuanceerder beeld. De cijfers laten zien dat de Nederlandse spoorweginfrastructuur nog steeds kwetsbaar is, zoals Thijssen benadrukte. Maar de gegevens laten ook zien dat die kwetsbaarheid wordt verergerd door de uiterst complexe dienstregeling die NS nog altijd hanteert.

In de afgelopen jaren is er veel aandacht uitgegaan naar technische problemen van het Nederlandse spoor. Nederland heeft een complex spoornetwerk met veel wissels. Bij vorst en sneeuw kunnen die wissels vastvriezen. De afgelopen jaren heeft ProRail de verwarming van alle belangrijke wissels op orde gebracht. Maar dat is deze winter geen garantie voor succes gebleken. Op vrijdag 3 februari waren er 23 wisselstoringen ‘met invloed op de treinenloop’. Op zaterdag waren dat er 39. Op een ‘normale’ dag is het aantal storingen aan wissels dat invloed heeft op de treinloop 10 tot 15. In de periode tussen 3 en 5 februari lag het aantal relevante storingen een factor 2 tot 3 hoger dan normaal.

Dat is geen goede score. Maar het is wel een veel beter resultaat dan tijdens de twee vorige winters. Toen lag het aantal wisselstoringen veel hoger. Hetzelfde geldt, zoals minister Schultz (Infrastructuur, VVD), vorige week in een brief aan de Tweede Kamer schreef, voor een ander groot probleem: kapotte treinen. Dit jaar zijn er veel minder treinen uitgevallen dan in de jaren er voor.

Toch zorgde het winterweer voor chaos. Op zwarte vrijdag, zo blijkt uit cijfers van ProRail, viel bijna een kwart (24,3 procent) van alle treindiensten uit. Zaterdag kwam 30,2 procent – bijna eenderde – van alle treinen van NS niet aan op de plaats van bestemming. De uitgevallen treinen tellen niet mee in de punctualiteitsscore, die die dag ongeveer 50 procent bedroeg. Op zwarte vrijdag en zaterdag was er de facto sprake van een nationaal treininfarct.

Een definitieve verklaring hiervoor is nog niet gevonden. Maar uit punctualiteitscijfers van ProRail komt wel een hoofdverdachte naar voren voor het treindebacle van afgelopen week: de dienstregeling. Het werkrooster van machinisten en conducteurs is notoir ingewikkeld. Pogingen om de roosters te vereenvoudigen stuitten op verzet van de bonden: geen ‘rondje om de kerk’. Maar bij winterse omstandigheden blijkt hoe kwetsbaar het systeem is.

NS heeft een speciale afdeling die onregelmatigheden in de dienstregeling moet opvangen. Geen dienstregeling gaat volgens plan. Een relatief eenvoudig knooppunt als Alkmaar telt al zo’n 180 mutaties per dag. Al die aanpassingen worden uitgevoerd door NS-functionarissen: in vijf regionale centra, en op het Operationeel Controle Centrum Rail (OCCR) in Utrecht. Maar de capaciteit van de ‘bijsturing’ is beperkt. Als zich te veel problemen tegelijk voordoen, raakt bijsturing overbezet, en verliest NS de controle over het spoorsysteem. Afgelopen vrijdag wist daardoor niemand welke treinen stil stonden en welke treinen nog reden, zo stellen insiders.

NS is op de hoogte van het probleem. Voor deze winter lag er daarom een ‘landelijk uitgedunde dienstregeling’ (LUD) klaar: minder treinen, volgens een eenvoudiger schema. De aangepaste dienstregeling leidt tot minder mutaties bij problemen, en kan dus beter onder controle worden gehouden.

Vrijdag 3 februari begon het treinverkeer echter volgens de gewone dienstregeling. En ondanks de chaos van de vorige dag begon NS op zaterdag opnieuw te rijden alsof het een normale dag was – met een nieuwe spoorchaos tot gevolg. Op zondag reed NS voor het eerst volgens de aangepaste dienstregeling. Dat had meteen effect, zo blijkt uit de cijfers van ProRail. Ook op zondag waren er nog veel storingen aan de infrastructuur. Toch reed op die dag 85,3 procent van de NS-treinen op tijd.

Morgen houdt de Tweede Kamer een spoeddebat over de winterproblemen op het spoor. In een reactie op het zoveelste spoordebacle liet minister Schultz vorig weekend al weten dat ze hulp wil inroepen van buitenlandse experts, bijvoorbeeld uit Zwitserland. In dat land is de dienstregeling in verschillende losse eenheden opgeknipt.

Als er problemen zijn op één deel van het netwerk, blijft het andere rijden. Het opknippen van het netwerk in losse stukken betekent voor reizigers vaker overstappen, maar leidt wel tot een veel betrouwbare dienstregeling. Dat blijkt ook uit de prestaties van regionale vervoerders als Arriva en Veolia. Op zwarte vrijdag en zwarte zaterdag daalde de punctualiteit van regionale lijnen in het noorden en zuiden nimmer onder de 78 procent.