Barbaars

Vorige week stonden op één dag twee verschillende berichten in de Nederlandse kranten over eerwraak. Een ervan kwam uit Afghanistan. Een man wurgde zijn echtgenote, wier voeten eerst waren vastgebonden door schoonmoeder opdat het wurgen door haar zoon werd vergemakkelijkt. De echtgenote had de man voor de derde keer een dochter gebaard en daarvan was de man niet gediend. Immers, Afghaanse dochters zijn veel minder waard dan zonen; als ze al wat waard zijn.

Het tweede bericht ging ook over Afghanen, ditmaal in Canada. Daar vermoordden een Afghaans-Canadese moslim samen met zijn vrouw en zoon zijn drie dochters en tweede echtgenote (de moeder van de drie dochters) door hen te verdrinken. De vier dames zouden zich ‘te westers’ hebben gedragen, waarmee ze de regels van het geloof en de familie hadden overtreden. Iets wat ze met niets minder dan hun leven moesten bekopen.

Ieder weldenkend mens vindt dit barbaars. Zelfs in Afghanistan. De schoonmoeder in de eerste zaak is opgepakt – haar zoon blijkt voortvluchtig. En in Canada werd in de eermoordzaak een hoge straf toegekend: de man, vrouw en zoon werden veroordeeld tot een niet malse gevangenisstraf van 25 jaar.

‘Barbaarse gewoonten zijn niet welkom in Canada!’ werd er geroepen.

Hoe nobel. En wat goed dat dat werd geroepen!

Het probleem is alleen dat we barbaarse gewoonten pas als dusdanig bestempelen als het al te laat is: als de moord reeds is gepleegd, bij een gedwongen uithuwelijking, een ontvoering of een verminking van een meisje met zoutzuur. Pas dan. In een eerder stadium worstelen we met de vraag of we ons wel mogen uiten over andermans cultuur of religie. Bang dat we overkomen als racistisch of minachtend over die cultuur.

En dat is jammer. Maar ook gevaarlijk. Die angst houdt namelijk een cultuur jegens vrouwen in stand die in sommige gezinnen uitgroeit tot ware onderdrukking en geweld.

Laat ik een voorbeeld dicht bij huis geven.

Een Pakistaanse kennis van mij, woonachtig in Nederland, had voor de tweede keer een dochter gebaard. Zij en haar Pakistaanse echtgenoot waren dolblij. Ze vierden de komst van hun pasgeboren dochter door zoetigheid uit te delen in hun Pakistaanse gemeenschap. Een vrouw uit die gemeenschap weigerde de zoetigheid. „Hoe durf je de geboorte van een dochter te vieren?” toeterde ze verontwaardigd. „In onze traditie zou men zich moeten schamen en rouwen om het feit dat men een dochter heeft gekregen in plaats van een zoon!”

Kunnen en durven we ook zo’n uitspraak als barbaars te veroordelen in plaats van haar liefdevol toe te dekken met de mantel van het cultuurrelativisme?