Wie durft in de VS de huizensteun te stoppen?

De Amerikaanse burger is veel geld kwijt aan de stimulering van het woningbezit, terwijl het bij veel huiseigenaren alleen maar misère bracht. Dat kan wel eens gaan veranderen.

Hoewel het Amerikaanse hypotheekstelsel huizenbezitters subsidieert, heeft het slechte functioneren ervan de belastingbetaler handen vol geld gekost. Er zijn niet veel invloedrijke kiezersgroepen die op verandering aandringen. Maar de 39 miljoen huishoudens die huren – en die in het huizendebat vaak aan het kortste eind trekken – zouden op hun achterste benen moeten staan. En ze zouden ook wel eens onwaarschijnlijke bondgenoten kunnen vinden.

Huurders vormen misschien de enige grote groepering in de Verenigde Staten die geen belang heeft bij de status quo. Huiseigenaren, makelaars, bouwers en banken profiteren allemaal van de invloed van de overheid op de huizenmarkt. Die wordt uitgeoefend via Fannie Mae en Freddie Mac, twee semi-overheidsinstellingen die hypotheken kopen en waarborgen, via andere federale vehikels en via de hypotheekrenteaftrek.

Politici, die lang de deugden van het huizenbezit hebben aangeprezen, doen niet graag iets dat het voor kiezers moeilijker zou maken hun versie van de Amerikaanse Droom te verwezenlijken. Het probleem is dat dit zou gebeuren als er hervormingen worden ingevoerd die de rol van de overheid op de markt zouden beperken of zelfs zouden schrappen.

Maar huurders zouden dit idee moeten omarmen. Zij lopen de grote belastingkorting mis die hypotheekrentebetalers wél krijgen. Huurders zijn ook getroffen door de gevolgen van de malaise op de huizenmarkt. Als belastingbetalers moeten zij mede de kosten dragen van de pogingen van de overheid om de huizenmarkt te steunen. Alleen Fannie Mae en Freddie Mac hebben al ruim 150 miljard dollar (114 mld euro) verloren.

Tegelijkertijd worden de gelederen van de huurders aangevuld met jonge Amerikanen. Zij zijn getuige geweest van de nachtmerrie van het huizenbezit en delen niet langer de droom die door oudere generaties werd uitgedragen. De groep tot 44 jaar is hard getroffen. Het percentage huiseigenaren in deze categorie is sinds 2005 met ruim zeven procentpunten gedaald. Dit is van belang omdat zij nog jarenlang hun verhalen zullen vertellen, en mogelijk het geloof zullen ondermijnen dat het bezit van een eigen huis een wezenskenmerk is van de Amerikaanse welvaart.

Bovendien ondermijnen debiteuren die meer geld schuldig zijn dan hun huis waard is één van de veronderstelde voordelen van het huizenbezit: dat hypotheken goed zijn voor een buurt. Dat is waarschijnlijk nog steeds waar als mensen huizen hebben met een flinke overwaarde. Maar voor meer dan een kwart van de huiseigenaren geldt dit niet. Huizenbezitters wier hypotheek ‘onder water staat’ lijken eigenlijk heel veel op huurders, maar dan met enorme hypotheekschulden als molenstenen om hun nek.

Ondanks dit alles en de waarschijnlijkheid dat hypotheekhervormingen de regering geld zou besparen, is het beleidsdebat er nog steeds op gericht het huizenbezit in al zijn opgeblazen glorie van vóór de crisis te herstellen. Daardoor zijn de pogingen op de lange baan geschoven om zelfs maar te overwegen instellingen als Fannie Mae en Freddie Mac te ontmantelen. En daardoor is ook het potentieel voor stappen als het korten van de hypotheekrenteaftrek verwaterd.

Als de huurders van zich zouden laten horen, zou deze discussie een andere wending krijgen. Zij missen het kunstmatige aura van materieel succes dat in de Verenigde Staten lijkt te horen bij het bezitten van een eigen huis. Maar die perceptie zou wel eens kunnen veranderen. Kijk maar naar Duitsland. Dat is een economische krachtpatser, zelfs nu Europa het zwaar heeft. Nog niet de helft van de Duitse huishoudens heeft een eigen huis, tegen 66 procent in de Verenigde Staten.

De huurderslobby zou zelfs bondgenoten op rare plekken kunnen vinden. Rijkere of oudere huizenbezitters, die hun hypotheek al hebben afbetaald, kunnen niet blij zijn met de waarschijnlijkheid dat ze meer belasting moeten gaan betalen ter leniging van de excessen van het afgelopen decennium. Van de 75 miljoen Amerikaanse huishoudens met een eigen huis heeft grofweg een derde geen hypotheek (meer), als de cijfers uit 2009 nog steeds kloppen.

Bovendien hebben conservatieven, die de markt goed gezind zijn, in betere tijden steeds de onttakeling van Fannie Mae en Freddie Mac bepleit, ten gunste van vrijere markten voor huizen en de leningen die nodig zijn om ze te kopen. Het is misschien een enigszins merkwaardige coalitie, maar als huurders, gepensioneerden en conservatieve Republikeinen elkaar vinden, zouden ze een kracht kunnen vormen waarmee rekening moet worden gehouden in het huizendebat.