Voor de doden van Libreville

De Zambiaanse bondsvoorzitter Kalusha zit morgen op de eretribune bij de finale om de Afrika Cup tegen Ivoorkust in Libreville. De plaats waar in 1993 zijn kameraden van het Zambiaanse elftal verongelukten.

Kalusha Bwalya, voorzitter van de Zambiaanse voetbalbond, en aanvoerder Christopher Katongo herdenken de slachtoffers van de vliegramp met een bloemenceremonie op het strand van Libreville. Foto Reuters

Op het strand van Libreville keerden donderdag de beelden terug op het netvlies van Kalusha Bwalya. De voormalige voetballer van PSV zag opnieuw aangespoelde lijken en lichaamsdelen voor zich. Evenals kleren en schoeisel. Kalusha schoot vol. De pijn over het verlies van achttien ploeggenoten, achttien kameraden, bijna negentien jaar na de vliegramp met het nationale voetbalelftal van Zambia, verdwijnt nooit. De herinnering aan 28 april 1993 blijft een kras op zijn ziel, vertelt hij een paar uur na de bloemenceremonie op het strand van Libreville in een telefonisch gesprek.

Kalusha (48) woonde destijds in Eindhoven en stond die dag op het punt te gaan trainen, toen hij een telefoontje kreeg van de accountant van de Zambiaanse voetbalbond. De accountant? Die belde nooit. Hij onderhield contact met de secretaris. Met horten en stoten vertelde de man dat het vliegtuig met de nationale ploeg, kort nadat het in de Gabonese hoofdstad Libreville was opgestegen, in zee was gestort. Alle inzittenden waren dood: de spelers, leden van de technische staf en bondsbestuurders, onder wie de secretaris.

Kalusha, sterspeler en aanvoerder van het team, wilde het niet geloven. Pas na het zien van de tv-beelden van CNN en de BBC drong de realiteit tot hem door. Een groep talentvolle voetballers die op het punt stond voor het eerst in de Zambiaanse geschiedenis plaatsing voor de eindronde van het WK af te dwingen, die groep bestond niet meer. Foetsie, weg, in één keer. Gesneuveld bij een vliegramp in de Golf van Guinea voor de kust van Gabon.

Drie internationals die in Europa speelden waren achtergebleven. Behalve Kalusha de voor het Zwitserse Sion uitkomende Johnson Bwalya. Zij zouden rechtreeks vliegen naar Dakar voor de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Senegal. Ook Charles Musonda van Anderlecht ontbrak – hij moest afzeggen wegens een knieblessure.

In een eerder interview met deze krant vertelde Kalusha over de gevaren waaraan de Zambiaanse voetballers werden blootgesteld. Zij werden uit kostenoverwegingen vervoerd met een militair vliegtuig: ‘Havilland Canada DHC-5D Buffalo’. Kalusha destijds: „Dat vliegtuig had door verschillende incidenten de reputatie van een vliegende doodskist.”

Kalusha’s (Nederlandse) ex-vrouw had haar echtgenoot na enkele slechte ervaringen zelfs verboden ooit nog met die rammelkast te vliegen. Eén keer negeerde hij dat verzoek: in december 1992 voor een wedstrijd op het eiland Madagaskar. En zoals bijna gebruikelijk met de ‘Buffalo’ verliep ook die reis niet vlekkeloos. Kalusha: „We werden gedwongen in Malawi te landen, omdat de Zambiaanse autoriteiten hadden vergeten toestemming te vragen van het luchtruim gebruik te maken. In Malawi geloofden ze niet dat voetballers met een militair vliegtuig vervoerd werden en vreesde men een vijandige daad van een buurland. Als bewijs moesten we onze voetbalspullen laten zien en werd ik door mijn bekendheid speciaal getoond. Na in Maputo, de hoofdstad van Mozambique, te hebben bijgetankt, moesten we tijdens de oversteek van de Indische Oceaan naar Madagaskar zwemvesten omdoen. Dat was vijf maanden voor de ramp.”

Voor zover hij zich kan herinneren heeft Kalusha voor zeven uitwedstrijden met de Buffalo gevlogen. Hij kon toen niet bevroeden dat de morbide grappen onder de spelers over het tegemoet vliegen van de dood ooit bittere realiteit zouden worden. „Maar je gaat nu eenmaal”, zegt Kalusha in het eerste gesprek. „Omdat je denkt dat het wel goed zal gaan. Je wist dat de Zambiaanse voetbalbond over weinig geld beschikte en vaak een beroep op het ministerie van Defensie deed.”

De loop der geschiedenis heeft de Zambiaanse voetbalinternationals teruggebracht naar de stad des doods. Zambia speelt morgenavond in Libreville de finale van de Afrika Cup tegen Ivoorkust, uitgerekend het land waar de Zambiaanse ploeg in 1993 nooit arriveerde. Want op weg naar Senegal was in 1993 in de Ivoriaanse stad Abidjan een tussenstop met overnachting gepland.

De eindstrijd is voor Zambia omgeven met sentimenten. Na twee verloren finales in 1974 en 1994 willen de voetballers de Afrikaanse beker veroveren. En wat zou het een prachtig eerbetoon zijn aan de achttien doden als dat gebeurt in Libreville. Kalusha wil er telefonisch vanuit de Gabonese hoofdstad niet op vooruitlopen. Dat is de goden verzoeken. „Maar dat Zambia de finale heeft gehaald is een prestatie van formaat”, zegt de oud-voetballer, die als trotse voorzitter van de nationale voetbalbond nog steeds een voorname rol in het Zambiaanse voetbal speelt.

Geloven de Zambianen dat hun nationale ploeg in Libreville bijgestaan wordt door hogere krachten? Spelen de geesten van de doden een rol? Denken zij dat Zambia voorbestemd de Afrika Cup te winnen? Zambia, met slecht één speler uit de Europese competitie, behoorde allerminst tot de favorieten. En pas door het bereiken van de finale hebben de spelers de bebloede Gabonese grond bereikt – alle wedstrijden werden tot nu toe gespeeld in Equatoriaal Guinea. Een omen? Kalusha wil het succes niet aan voodootheorieën toeschrijven, al kan ook de bondsvoorzitter niet ontkennen dat zijn land boven verwachting presteert. Maar daarvoor heeft de honderdvoudige international een nuchtere verklaring: „Wij hebben simpelweg talentvolle spelers. Let wel, Zambia is met voetballers tot 23 jaar drie keer kampioen van de zuidelijke Afrikaanse landen geworden.”

Kalusha is wel blij dat onder aanvoering van de minister van Jeugd en Sport, Chishimba Kambwili, en in het bijzijn van alle spelers donderdag een herdenkingsbijeenkomst op het strand van Libreville is gehouden. „We hebben bloemen op het strand gelegd en daarmee respect aan onze gevallen helden getoond. Dat riep bij mij een mix van dierbare herinneringen en heftige emoties op”, zegt een aangedane Kalusha door de telefoon. „Maar ook bij de spelers, die de slachtoffers niet hebben gekend. Maar in Zambia voelt iedereen de betekenis van de vliegramp. Wij allen hebben het gevoel dat we iets kunnen terugdoen. Daarom zou het winnen van de beker fantastisch zijn. Maar ik vind het al een hommage aan de doden dat we de finale hebben bereikt.”

Het Zambiaanse voetbalsucces heeft volgens Kalusha in het land veel losgemaakt. „De halve finale tegen Ghana duurde in Zambia tot één uur ’s nachts, maar duizenden zijn opgebleven. Om daarna de overwinning uitbundig te vieren. De hoofdstad Lusaka verkeert al dagen in een feestroes. De mensen zijn trots. Voor het volk zou de eerste Afrikaanse titel een opsteker zijn.”

En voor Kalusha, zegt hij eerlijk, een steuntje in de rug. Want zijn termijn als voorzitter zit er in maart op. En hij heeft zich herkiesbaar gesteld. De oud-voetballer, die tot 2006 een drietal jaren weinig succesvol was als bondscoach, ziet het vooral als zijn verdienste dat hij een mondiale sponsor als Nike heeft binnengehaald – „Zambia is het enige Afrikaanse land dat Nike sponsort.” Verder is Kalusha trots op een televisiecontract met SuperSport.”

Hoewel Kalusha zich erg heeft beijverd van 28 april een nationale herdenkingsdag te maken, is dat er nooit van gekomen. De enige herinnering is een monument en de graven van de doden nabij het Onafhankelijkheids Stadion in Lusaka. Kalusha heeft zich bij die situatie neergelegd. „Maar volgend jaar, twintig jaar naar de ramp, doen we iets speciaals.”

    • Henk Stouwdam