Paulien Cornelisse in de tissu’s

Hallo Aarde, er is een nieuw boek van Paulien Cornelisse. De cabaretier die 400.000 exemplaren verkocht van het taalboek Taal is zeg maar echt mijn ding, heeft nu En dan nog iets geschreven. Tussen het toeren door.

tekst foto’s

Mag ik het interview nog lezen voor het in de krant komt?” vraagt Paulien Cornelisse. „Dat u niet opschrijft: ‘Ik ging naar Hiroshima voor een stukje ontplooiing.’ Want zo praat ik niet. Of dat u gaat opschrijven dat wij u tegen elkaar zeiden, want dat was niet zo.’’

Paulien Cornelisse (Amsterdam, 1976) is cabaretier en schrijft columns over taal voor onder meer nrc.next en de Wereldomroep. Zij toert met haar show Hallo Aarde en deze week verscheen haar bundel En dan nog iets; opvolger van de bestseller Taal is zeg maar echt mijn ding. Daarvan werden 400.000 exemplaren verkocht.

In En dan nog iets verbaast ze zich wederom over eigenaardigheden in de moderne spreektaal. Over modewoorden: brevet van onvermogen, ik bedoel, komt goed, dikke doei, de gunfactor, bizar, cóntent, tsunami van. Maar ook over ontroerde voetbaltrainers, een ‘keurige negermevrouw’, contactdansen op Terschelling, de puntjes in de tweets van Marco Borsato en vijftig woorden voor schuifelen. En zij onderhoudt haar kerkhofje van verdwenen modewoorden: kapoerewitos, dorsten, lekker belangrijk, jottum, het gebeuren.

Cornelisse zit aan de lange tafel in haar huis, een gigantische studio in Amsterdam met een Amerikaanse fifties-keuken en een planken vloer met vrolijke gekleurde streepjes, die vroeger in een gymzaal heeft gelegen. Boven haar bed Japanse prenten, aan de muur een grote Vermeer met genummerde vakjes die nog ingekleurd moeten worden. We eten van die dunne Franse koekjes. En chocoprinsen als die op zijn.

Hiroshima?

„Als kind tekende ik geisha’s na uit een boek met 19de-eeuwse Japanse ukiyo-e-prenten. Voor mijn Snoopy maakte ik een kimono van een sjaal. Later werd Banana Yoshimoto mijn favoriete schrijver. Ik had dus al iets met Japan. In 1998, tijdens mijn studie psychologie, kreeg ik de kans om een half jaar in Hiroshima te studeren. In Hiroshima vond ik ook het onderwerp van mijn eerste column, over Japans wc-gedrag. Japanners vinden het beschamend als je hun wc-geluiden hoort. Dus trekken ze de hele tijd door terwijl ze op de wc zitten.” (Cornelisse staat op en doet een gehurkte Japanner na, die de hele tijd doortrekt.) „Maar dat kost veel water en dat is slecht voor het milieu. Dus hebben ze nu een wc-kastje dat het geluid van een doorspoelende wc nabootst. Mijn stukje daarover kwam op de achterpagina van NRC Handelsblad. Zo is het begonnen.”

In uw show hangt u in een gordijn. Is dat ook Japans?

„Dat is geen gordijn en het is ook niet Japans. Dat is een tissu, behorende bij een acrobatenact. Bij een soort Circus Elleboog in San Francisco heb ik acrobatiek gestudeerd omdat ik per se iets wilde leren wat niets met taal te maken had. Het maakt de show wat beweeglijker. Tijdens die act doe ik een monoloog over neusvleugels. Dat je krachtiger overkomt als je ze spreidt. En dat clowns door hun rode neus hun doelbewustheid kwijtraken. Ze zijn neusvleugellam gemaakt.”

Hoe verkocht u 400.000 boeken?

„De boekhandelaren hadden van mijn debuut slechts tweeduizend exemplaren ingekocht omdat ze de voorkant lelijk vonden. Die had ik zelf getekend. Paul de Leeuw vroeg of ik in zijn tv-programma wilde komen. Lady Gaga was er ook. De Leeuw heeft het bijzondere vermogen om je te laten stralen, dus mijn optreden was geslaagd. De volgende dag was de eerste druk van het boek meteen uitverkocht. De tweede liet op zich wachten, waardoor er schaarste ontstond. Daarna ‘ging het rollen’.”

Belde de uitgever dagelijks met de stand?

„Nee, ik kreeg het alleen te horen als er een nieuwe druk aankwam. Ik durfde in die tijd niet in boekhandels te komen omdat ik bang was dat de verkoper zou denken dat ik kwam kijken hoe het met de stapel op de toonbank ging. Ik wil er niet te spastisch over doen – ik bedoel niet letterlijk spastisch maar spastisch in de overdrachtelijke zin, wat dat ook moge zijn. Er zijn mensen boos geworden omdat ik het woord ‘schizofreen’ verkeerd gebruikte, vandaar. Maar ik had besloten dat succes niet iets is wat je extern krijgt toegediend. Die verkoop, ik kan me daar niet mee bezighouden. Zaken die afleiden van het schrijven en spelen, moeten geëlimineerd worden.”

Wanneer werd het raar?

„Ik denk bij tienduizend. Ik stelde me voor hoeveel dat zou zijn als ik ze op elkaar zou stapelen. Ik heb hier in de boekenkast alle drukken liggen, maar die heb ik een beetje weggemoffeld in een kist. De achtentwintigste druk was een wc-editie, die liep heel slecht.” (toont een boekje aan een koordje met afsopbare kaft). „Daarna is de verkoop nog even doorgedruppeld en toen was het voorbij.”

En toen was u rijk.

„Voor mijn doen wel ja. Het kwam goed uit. Door allerlei nare dingen, te maken hebbende met de liefde, had ik geen huis meer, dus ik heb van de opbrengst een huis gekocht.”

De meeste bestsellers gaan over seks, drugs, Shoah en zwembaden. Deze gaat over taal. Dat is bijzonder.

„Vlak Jan Kuitenbrouwers Turbotaal niet uit. Die heeft in de jaren 80 ook honderdduizenden boeken verkocht. Misschien wil iedere generatie één zo’n taalboek hebben. Mijn tweede boek zal ongetwijfeld niet zo goed verkopen als de eerste, maar dat geeft niet. Lang dacht ik: ik moet niet nog een taalboek maken, want dan kom ik er nooit meer van af. Maar ik had wel zo’n berg stukjes over taal liggen. Toen dacht ik aan Kees van Kooten, mijn grote voorbeeld, die na de bundel Modermismen rustig Meer modermismen en Meest modermismen schreef. Dan mag ik het ook, dacht ik.”

Heeft u die interesse in taal altijd gehad?

„Ik was altijd een myopische detailmierenneuker en ben me er altijd bewust van geweest hoe mensen praten. Als kleuter zei ik: ‘Mam, er zijn ook kinderen die broterham zeggen’. Mijn moeder kon altijd aan mij horen bij wie ik gespeeld had. Ik nam onbewust de spraak over van vriendinnen. Ik hoorde ook duidelijk de standsverschillen tussen onze grootouders. Mijn opa van de ene kant zei bijvoorbeeld: ‘Eerlijk waar, dat vlees was om te zuigen’. Terwijl mijn grootmoeder van de andere kant dingen zei als: ‘Jesses, wat een mísselijke streek!’’’

U wil in uw boek niet zeggen wat goed en slecht Nederlands is. Waarom niet?

„Ik ben geen taalpurist. In principe vind ik alles oké. Foute taal bestaat niet, dat is in ieder geval niet wat mij interesseert. Ik maak mij niet kwaad over modewoorden, clichéwoorden, verkeerde woorden. Ik gebruik ze zelf ook. Kijk maar naar dit interview.”

De myopische detailmierenneuker

„Precies. Dat is dubbelop. Ik bedoel, er bestaan geen grotelijnenmierenneukers.”

Lezen mensen uw boeken niet als een soort ‘Hoe hoort het eigenlijk’?

„Ik hoop juist dat ze opgelucht denken: ‘Oh, dus het maakt niet uit’. Ik ken mensen die ‘corned beef’ uitspreken als ‘corn’d beef’ en die ‘kornét bief’ niet over hun lippen krijgen. Met als gevolg dat ze nooit corned beef kunnen bestellen bij de slager. Dat is idioot. Ik zelf zeg bijvoorbeeld nótulen, terwijl de meeste Nederlanders notúlen zeggen. Heb ik dan gelijk en doet de rest het fout? Nee, notúlen is de nieuwe uitspraak. Nótulen is daarmee een woord geworden voor een kleine subcultuur van NRC-lezers. Maar dat geeft niet.”

U gebruikt uw taalobservaties voor sociologische duiding. Hoe wij nu praten, zegt iets over onze tijd.

„Ik vind het zelf geloof ik meer psychologisch dan sociologisch. Nou ja, iets ertussenin misschien. Het koffiemoment van 2012 as opposed to het saunagebeuren van de jaren 80; dat zegt wel iets over de tijdgeest.”

Toch gaat u daar nooit verder op in.

„Ik merk iets op in de taal, geef een mogelijke interpretatie. Niet wetenschappelijk, misschien wel onderhoudend. Ik schrijf bijvoorbeeld over nazi-Duits en porno-Duits. Ik constateer dat er twee soorten gebruikers zijn. Wat zal ik daaraan toevoegen? Ik heb het niet onderzocht en ik denk dat het muf wordt als je er te diep op ingaat. Neem nog een chocoprins.”

    • Wilfred Takken
    • Leo van Velzen