Op zoek naar een plek voor de zilveren jaren

Oud worden in Engeland of oud worden in Nederland? Voormalig correspondent Hieke Jippes heeft lang getwijfeld voor ze haar besluit nam. „Praat niet over oudere mensen als ‘zij’. Ze maken deel uit van ‘wij’.”

Meer dan twee jaar lang had ik geaarzeld over de keuzes op AOW-leeftijd. Blijven wonen in mijn fantastische koetshuis op de richel, met uitzicht op een parklandschap zonder weerga, even ten zuiden van Londen, en mijn bestaan hier uitleven? Of mijn geliefde Kent, mijn hechte buren en dierbare Engelse vrienden verlaten, mijn Engeland-expertise inpakken en na 25 jaar correspondentschap terugkeren naar Nederland? Wachten tot de wal het schip zou keren of op een moment van eigen keuze een drastische beslissing nemen?

Bevestiging van de risico’s die oud worden in Engeland met zich meebrengt, is inmiddels ruim voorhanden. Het regent angstwekkende rapporten. In oktober 2011 vond The Times het nodig een hele bijlage te wijden aan een „Zilveren Manifest”. Het zijn vijftig aanbevelingen voor de verbetering van het lot van oudere mensen. Die varieerden van de aanmaning aan de bejaarde zelf: „Vermijd het ziekenhuis ten koste van alles” tot de aansporing in het algemeen belang: „Maak het weer de norm om oudere mensen altijd als ‘mevrouw’ en ‘meneer’ aan te spreken”. En ook: „Praat niet over oudere mensen als ‘zij’. Ze maken deel uit van ‘wij’.”

De aanleiding voor het manifest vormde voor de Times een aantal schrikbarende rapporten over de behandeling, soms mishandeling, van oude mensen in zieken- en verzorgingshuizen. Zo stelt een Europees rapport vast dat Britten oudere mensen meer discrimineren dan elders in andere Europese landen het geval is. Volgens het laatste European Social Survey (inzake sociale opvattingen en gedrag, uitgevoerd onder 55.000 mensen in 28 Europese landen) is ‘age-ism’ (ouderdomsdiscriminatie) in het Verenigd Koninkrijk volgens 64 procent van de ondervraagden een probleem. Voor Europa als geheel is dat 44 procent.

Lang voor deze publicaties zag ik het idee van (alleen) oud worden in Engeland al niet zitten. Als ik er ook maar iets aan kon verhelpen, dan zou ik straks niet in een doorpieste stoel in een treurig care home in de kring rond de televisie zitten, machteloos en hulpeloos. Of in een ziekenhuis liggen waar het personeel zich suf rent, maar geen tijd heeft om (oudere) patiënten te helpen bij het eten of ze op tijd te verschonen. Wilde ik mijn lot nog enigszins in eigen hand houden – een illusie natuurlijk – dan moest ik me niet afhankelijk maken van een in zijn voegen krakende National Health Service (NHS), een niet-bestaand openbaar vervoer en een bejaardenzorgstelsel waarvan – uitzonderingen daargelaten – iedereen schande spreekt. Van een „waardig einde” zou ik evenmin iets te verwachten hebben.

Mijn Engelse huisarts had mijn laatste wilsverklaring (door mijzelf vertaald naar Nederlands voorbeeld) in mijn patiëntendossier opgenomen. Ze had mijn verslag over de prachtig zachte dood van mijn moeder met tranen in de ogen aangehoord. Maar daarachteraan had ze gezegd: „Je weet toch, Hieke, dat ik in zo’n geval voor jou niets kan doen. Euthanasie is hier absoluut verboden en strafbaar.”

Tweederde van de NHS-bedden worden bezet door bejaarde patiënten. De toezichthouder op de kwaliteit van de zorg (de Care Quality Commission, CQC) constateert dat in 1 op de 10 ziekenhuizen zo slecht voor bejaarde patiënten wordt gezorgd, dat die ziekenhuizen volgens de wet strafbaar zijn. Basale zorg – iemand helpen met eten of drinken, pijnbestrijding, iemand helpen op de po of naar het toilet te gaan – ontbreekt daar „systematisch”.

De bel naast het bed wordt niet beantwoord of doet het niet. De inspecteurs zagen een oudere man, die met zijn waterbekertje op het kastje naast zijn bed bonkte om eindelijk aandacht te krijgen. Er was een vrouw die om dezelfde reden aan het hek rond haar bed rammelde. En de inspecteurs zagen volle borden onaangeroerd weggehaald worden bij zwaar ondervoede patiënten die zelf de lepel niet naar de mond konden brengen, van wie op de kaart stond dat ze bijgevoed moesten worden.

In verzorgingshuizen trof diezelfde CQC nog ernstiger tekortkomingen aan. Bejaardenhuizen zijn in Engeland vaak geprivatiseerd en in handen van eigenaren met één of twee instellingen die ze runnen op basis van de hele dag iedereen in de kring rond de televisie. Van de 599 verzorgingshuizen die de CQC tussen oktober 2010 en juli 2011 bezocht, gaven 84 instellingen hun bewoners niet genoeg te eten en te drinken. Dat is 1 op de 7.

Vraag: hoeveel ouderen sterven voortijdig of hebben een ellendig einde door deze wantoestanden? Een antwoord is niet voorhanden. Bejaardenorganisaties en experts hebben in een open brief om hervorming van het zorgstelsel gevraagd. De Britse regering heeft aangekondigd met een wetsontwerp te zullen komen waardoor de ‘langetermijnzorg’ beter kan worden. Dat kost meer geld. Een regeringsadviescommissie stelt voor om iedere bejaarde daarvoor de eerste 35.000 tot 50.000 pond uit eigen middelen (het eigen huis, de spaarrekening) te laten betalen, waarna de rest ten laste van de belastingbetaler komt. Dat stuit op protest van diegenen die menen dat rijke bejaarden er dan wel héél goedkoop vanaf komen.

Oud worden, in je eentje, in Engeland, lijkt dus niet verstandig. Als je niemand hebt om voor je op te komen en zelf niet meer mondig (of welgesteld) bent, dan ben je afhankelijk van het toeval: de 6 op de 7 verzorgingshuizen waar voldoende eten en drinken wordt aangeboden, die 9 op de 10 ziekenhuizen waar wél acht geslagen wordt op bellen en waar je niet – zoals gebeurt – uren in een vuile luier ligt.

Dat een dergelijke praktijk – verwaarlozing van oudere mensen – tot een verschuiving van de opvattingen over de waarde van een oud iemand kan leiden, zou je kunnen opmaken uit een onderzoek van de belangengroepering Action on Elder Abuse. Die constateert op basis van een nationaal onderzoek dat de medisch behandelaars in ziekenhuizen vaak eenzijdig een ‘niet-reanimeerverklaring’ aan patiëntendossiers van bejaarden hechten, terwijl daarover noch overleg met de patiënt zelf – noch met diens familie is geweest. In het Queen Elizabeth Hospital in Birmingham gebeurde dat in drie op de tien gevallen en in een ziekenhuis in Bristol was het verweer „we bespreken dat in het algemeen niet met de familie”. Action on Elder Abuse noemt dit „stille euthanasie” en „dood laten gaan via de achterdeur”.

In de feitelijke tweedeling die in Engeland bestaat tussen NHS en particuliere medische zorg (zelfde medici, hogere prijzen in particuliere klinieken), valt er niets te klagen als je ‘particulier’ kunt gaan. Politici met een beetje sociaal inzicht zullen altijd de NHS – een nog veel groter heilige koe in het Britse stelsel dan de hypotheekaftrek in het Nederlandse – de hemel inprijzen als uniek en onvervangbaar en onaantastbaar. Maar het stelsel rammelt en behoeft aanpassing aan meer vraag en een groeiende, vergrijzende bevolking.

Toen ik een tijdje overgeleverd was aan de hulp van anderen omdat ik mijn schouder had gebroken en geen auto kon rijden, merkte ik tot welk isolement dat lijdt – alle lieve aanbiedingen van buren om me eens per week mee te nemen naar de supermarkt ten spijt. Ik woonde in een van de welvarendste gedeelten van Engeland, bevolkt met rijke City-types die in fraaie huizen wonen en vele auto’s in de oprit hebben staan, maar het dichtstbijzijnde ziekenhuis lag op 25 kilometer afstand en een bus of trein ernaar toe is er niet. Wel was er een vrijwilligstersservice die ‘oudjes’ in opperste nood wel wilde begeleiden op hun bezoek aan het ziekenhuis, maar de receptioniste wierp één blik op – alleen maar – mijn draagband en zei: „Maar dat is niet voor patiënten als u.”

Dus nam ik geduldig plaats op het rijtje van onderling afwijkende stoelen in de nis die de wachtkamer moest voorstellen en wachtte af tot ik, ergens in de verzameling barakken die het ziekenhuis vormde, tot de orde werd geroepen. Altijd zulke aardige zusters, veel liever en persoonlijker dan wat ik in Nederland wel eens had gezien, maar ze opereerden in werkomstandigheden die nauwelijks toelaatbaar leken. De behandelkamers waren afgesloten met gordijnen aan doorzakkend elastiek, op muren waren oude kalenders of tekeningen of mededelingen opgeplakt met sellotape, patiënten zaten met de knieën tegen elkaar in een oververhitte ruimte opgepropt, met een stapel gescheurde en heel oude tijdschriften en Gouden Gidsen. Desondanks, toen ik lang geleden voor het eerst met een blessure in dit ziekenhuis kwam, kon ik de eerstehulpzuster wel omhelzen: „Cup of tea, dear?” Maar ook een dergelijk gebaar is, onder de steeds maar oplopende werkdruk en de bijbehorende kostenbesparing, inmiddels uit de tijd.

Is Nederland beter? Geen idee. Ook hier zijn besparingen en bezuinigingen aan de orde van de dag en gaan schrikbarende verhalen rond over miscommunicatie tussen medici en tussen verzorgende instanties onderling. De garantie op een waardig einde en een goede dood is ook in Nederland niet vanzelfsprekend, maar wel bespreekbaar.

Het was met een zucht van verlichting dat ik mijn nieuwe Nederlandse huisarts een enveloppe met rechtsgeldige wilsverklaringen kon overhandigen die zij zonder bedenkingen als onderdeel van mijn patiëntendossier archiveerde. En die verklaring zou daar nog best twintig jaar kunnen liggen want zo dichtbij lijkt de oude dag nu ook weer niet. Vrienden en collega’s blijken hier onbekommerd een gesprek aan te gaan over de „laatste fase” van hun leven – zonder drama, zonder angst. Een spontane conversatie die mij in mijn Engelse omgeving hooguit op een nietszeggend „How interesting” zou komen te staan. Al met al: de verdedigingslinie tegen totaal onvermogen op de oude dag komt me in Nederland als forser voor en daarom – voor wat het waard is – wacht ik het moment dat dat onvermogen mogelijk ook mij zal overvallen, liever in Nederland af.

    • Hieke Jippes