‘Indignados’ aller landen, verenigt u

Welke toekomst hebben jongeren in Portugal en Spanje? De helft van de beroepsbevolking is werkloos. Ze gaan als indignados, verontwaardigden, de straat op en sommigen proberen te ontsnappen aan de kapitalistische gesel van ‘werken-kopen-werken-en-nog-meer-kopen’. In nieuwe, kleine collectiefjes.

Bijna elke dag is het wel ergens in Spanje raak. Meestal in een voorstad of de buitenwijk van een grote stad als Barcelona of Madrid, met veel woningen voor de lagere middenklasse. Vroeg in de ochtend verzamelen zich tientallen activisten voor de woning van een huiseigenaar of huurder met betalingsproblemen. Voor het oog van de pers rollen betogers spandoeken uit en scanderen ze leuzen als ‘no pasarán’ (ze komen er niet langs).

Uren staan ze zo betrekkelijk rustig te demonstreren. Totdat de vijand zich aandient. Zodra de gerechtsbewaarder en bankemployee de straat in komen, slaat de stemming om. Dan wordt het spandoek strak getrokken, haken de betogers de armen ineen en voeren ze het volume van hun leuzen op. Vaak is dit genoeg om de geplande uitzetting van de ‘gedupeerde’ bewoner te verhinderen.

De betogingen worden georganiseerd via internet door zogenoemde ‘Hulpplatformen voor Hypotheekslachtoffers’, die de afgelopen maanden door heel Spanje zijn opgericht. In een land waar nu dagelijks circa 300 woningen per dag onteigend worden door de bank, leiden deze actiegroepen het felste verzet tegen de financiële sector.

De omsingelingen leveren de ‘slachtoffers’ vaak een paar weken respijt op. Een volgende keer komen de bank en rechtbankmedewerkers er wel doorheen, bijvoorbeeld omdat agenten de straat al een etmaal van tevoren hebben afgezet. Maar regelmatig dwingt de interventie de bank de hypotheekvoorwaarden te versoepelen of de looptijd te verlengen.

De ‘Stop Desauhucio’-groepen vormen een zichtbare loot aan de stam van de veel bredere beweging van indignados, de verontwaardigden. In door de eurocrisis getroffen landen als Spanje en Portugal stonden ze afgelopen voorjaar voor het eerst op. In de herfst kreeg hun protest wereldwijd navolging onder de vlag van ‘Occupy’. Hoewel de pleinbezettingen zijn opgebroken, zijn de bewegingen niet doodgebloed. Bijna elke maand is er nog een mars in Madrid, Barcelona, Porto of Lissabon. Op wijkniveau wordt er elke dag nog door vergaderd, zij het minder intensief dan in de lente en zomer.

De indignados kunnen nog steeds op brede steun rekenen, blijkt uit opiniepeilingen. Een ruime meerderheid van de ondervraagden zegt het eens te zijn met hun kritiek dat de politiek burgers in deze crisis niet voldoende beschermt en banken te makkelijk laten wegkomen.

Het protest wordt zelfs omarmd door de door indignados vaak verfoeide massamedia en grootkapitaal. In december riep het Amerikaanse tijdschrift Time ‘de demonstrant’ uit tot persoon van het jaar. En Coca-Cola lanceerde in Spanje een reclamecampagne die verwees naar de beweging. Op bushokjes en billboards verscheen een meisje, met dreadlocks en alternatieve kleding, dat een stuk golfkarton vasthoudt met de tekst: ‘We hebben het recht op dromen en dat deze werkelijkheid worden.’ Een directe verwijzing naar een populaire leus van de pleinbezetters: ‘Als wij niet mogen dromen, laten wij jullie niet slapen.’

Giftige bocht

„Het begon heel puur en spontaan. Maar al snel sloten zich de beroepsdemonstranten aan. Van de andersglobalisten en anarchisten tot de feministen en dierenrechtenactivisten”, zegt Pablo Gallego, een 23-jarige Spanjaard die met zijn protestgroep Real Democracia Ya (Echte Democratie Nu) een betoger is van het eerste uur. „Sommigen zijn afgehaakt. Maar dat betekent niet dat de onvrede verdwenen is. Die neemt door de crisis en de harde aanpak van de nieuwe regering alleen maar toe.”

Ondanks hun sympathie voor de indignados maakte Spanje eind vorig jaar wel een ruk naar rechts. Net als in Portugal een half jaar eerder, werd de socialistische premier ingeruild voor een centrum-rechtse. De nieuwe rechtse machthebbers in Lissabon en Madrid doen er nu alles aan het vertrouwen van ‘de markten’ terug te winnen.

In Spanje en Portugal is niet zozeer de staatsschuld, maar de particuliere schuldenlast een probleem. Beleggers vragen zich af of deze schulden van burgers, bedrijven en banken wel houdbaar zijn, waardoor de landen amper nog terecht kunnen op de internationale kapitaalmarkten. Het geld is hun geleend door Franse, Duitse, Britse en ook Nederlandse banken en pensioenfondsen.

De Spanjaarden kozen toch voor een rechtse regering, zegt Pablo Gallego, „omdat we ons hebben laten aanpraten dat deze crisis onze eigen schuld is. Dat we ons te buiten zijn gegaan aan een wild feest en nu met de kater zitten. Dat we boven onze stand geleefd hebben en nu de rekening gepresenteerd krijgen.”

Maar volgens Gallego is dat maar één deel van het verhaal. „We beleefden hier fantastische jaren dankzij de huizenmarkt. We vierden een feest, maar de drank die geserveerd werd, was giftige bocht. Bankiers, politici en buitenlandse geldschieters zijn de echte schurken. Zij hadden burgers tegen zichzelf in bescherming moeten nemen. In plaats daarvan hebben ze ons belazerd door van de huizenmarkt een casino te maken. Wilde je fatsoenlijk wonen, dan moest je meegokken. En nu gaan zij allemaal vrijuit, terwijl burgers de prijs betalen.”

Gallego verwacht dat de gelatenheid wegsmelt nu de crisis onverminderd voortwoekert en maatregelen de samenleving pijn doen. Door alle bezuinigingen blijft economisch herstel uit. De werkloosheid loopt op. Het aantal mensen met betalingsproblemen stijgt. Steeds meer families vallen door het sociale vangnet, waarvan de mazen almaar ruimer worden.

Het maakt de uitkomst van de huidige crisisaanpak hoogst onzeker. Spanje en Portugal zijn altijd links-conservatieve landen geweest waar het lastig is verworven rechten ter discussie te stellen. Het zijn ook vergrijzende landen, waar het electorale gewicht van jongeren snel afneemt. Juist daarom is het niet zonder betekenis dat de jeugd zich nu het luidruchtigst tegen hervorming verzet.

Dat is het best zichtbaar op de arbeidsmarkt. Dat in Spanje de jeugdwerkloosheid heeft kunnen exploderen tot 48,7 procent (als percentage van de actieve beroepsbevolking onder de 25 jaar) is het gevolg van forse rechtsongelijkheid op de werkvloer. Werknemers met vaste contracten (vooral ouderen) zijn overmatig beschermd, flexwerkers (vaak jongeren en immigranten) zijn vogelvrij.

In de jaren voor de crisis accepteerden jongeren hun precaire bestaan nog stilzwijgend, want ze konden op hun ouders leunen tot ze meer zekerheid kregen. Door de crisis raakt het perspectief op een vaste baan (en op een eigen huis en gezin) hopeloos uit beeld. Veel jongeren willen meer rechten, maar niet ten koste van ouderen. Het zijn immers oudere familieleden die in tijden van crisis het belangrijkste sociaal vangnet vormen.

Expressietherapeut

Bruno Lavos, een 29-jarige expressietherapeut uit Lissabon, werkt al jaren voor dezelfde baas op een recibo verde – hij laat zich inhuren als zelfstandige zonder personeel, terwijl hij in de praktijk in vast dienstverband werkt. Hij heeft amper juridische zekerheid, hoge eigen lasten en een laag salaris.

Samen met zijn drie broers en zussen woont Bruno Lavos bij zijn ouders. Een eigen woning betrekken, trouwen en kinderen krijgen met zijn vriendin ziet hij vooralsnog niet gebeuren. „Een paar jaar geleden dreigde de bank mijn familie uit ons huis te zetten. We hebben alles op alles gezet en kunnen nu blijven. Maar voor mij is het absoluut niet aan de orde om uit huis te gaan. Als de bank mij al geld zou willen lenen, dan alleen onder voorwaarden waarmee ik mijn laatste beetje menselijke waardigheid zou moeten inleveren.”

In Portugal dringen IMF en EU in ruil voor 78 miljard euro aan noodleningen nu aan op arbeidsmarkthervormingen, maar Lavos heeft er absoluut geen vertrouwen in dat dit hem zal helpen. „Het is een vooropgezet plan om ons land verder leeg te zuigen. Gedicteerd door de banken.”

Om het maatschappelijk bewustzijn hierover te vergroten kampeerde Lavos deze herfst twee maanden voor het parlement. „Ik ben met zoveel mogelijk mensen in gesprek gegaan.” Hij besloot onafhankelijker te worden van het financiële systeem. Daarom heeft hij zich aangesloten bij Futuragora (Toekomst nu), jongeren die experimenteren met manieren van zelfvoorzienend leven.

In Almada, een voorstadje van Lissabon aan de overzijde van de Taag, komen ze in het huis van een van de oprichters regelmatig bijeen. „We stellen ons bij alles wat we doen de vraag: stel dat het systeem crasht? Er is nog voor drie dagen voedsel in de supermarkten, er komt geen geld uit de pinautomaat, de olie raakt op. Hoe kunnen we dan overleven?”

In het clubhuis staat een hometrainer die is omgebouwd om stroom mee op te wekken die wordt opgeslagen in een batterij. „Hij heeft het tien minuten gedaan, toen smolt de zekering. We moeten nu een nieuwe halen om hem te maken, maar al doende leren we”, zegt Silvio Santos, een 20-jarige student werktuigbouwkunde en internetpaginaontwerper.

Het belangrijkste project is de tuin. De jongeren hebben olijfbomen geplant. In de winter doet vooral de Portugese stokkool het goed. De tomaten zijn allemaal geplukt. De broccolistruik is kaal gegeten, maar mag nog uitbloeien om zaden te verkrijgen. De jongeren maken zeep uit het sap van de klimopstam. In een schuurtje kweken ze wormen, die ze later uitzetten. „Een alternatief voor kunstmest”, weet Silvio Santos.

Olijfolie persen

Tijdens een avondje filosoferen op de bank bespreken de vrienden Lavos en Santos de vraag of ‘het systeem’ onvermijdelijk zal klappen. Volgens Lavos niet. Maar, zegt hij: „Iedereen voelt wel dat de manier waarop we nu leven, niet eindeloos kan doorgaan. Toch vinden we het moeilijk om in ons persoonlijk leven veranderingen door te voeren of offers te brengen. Ik denk wel eens: onze samenleving wíl een crash of heeft er een nodig. Daar wil ik op voorbereid zijn.”

Ze willen het financiële stelsel niet als enige de schuld geven. „We maken allemaal deel uit van het systeem. Je kunt er niet uit treden. Maar je kunt je bewuster worden van hoe het werkt en het van binnenuit proberen te veranderen.” Santos hielp een paar maanden terug een vriend met plukken van olijven. Hier werd olie van geperst en iedereen die geholpen had mocht wat mee naar huis nemen. „Ik woon bij mijn ouders, dus ik had geen olie nodig, maar het is wel eens fijn om niet alleen te consumeren maar ook te produceren.”

De leden van Futuragora hebben stuk voor stuk de Amerikaanse internetdocumentaire Zeitgeist als ideeënbron. Hierin wordt uiteengezet dat sinds het loslaten van de gouden standaard de hoeveelheid geld in de wereld tot zulke proporties is opgeblazen, dat zij haar feitelijke waarde heeft verloren. Deze zeepbel moet wel een keer knappen.

De redenering vindt veel weerklank onder de indignados. De laatste decennia steeg de consumptie in het Westen veel harder dan de lonen. De scheefgroei viel lange tijd niet op doordat burgers en overheden zich in de schulden staken dankzij speculatie en goochelarij van de financiële sector. Met de reële economie had deze ongekende welvaartsgroei nog weinig te maken.

In de berichtgeving van de doorsnee massamedia over de crisis komt die dieper liggende oorzaken onvoldoende aan bod, vinden ze. Santos: „Je hoort alleen: vandaag gaat het slecht. Om de volgende dag te horen, dat het beter gaat. Waarna het overmorgen toch weer slechter gaat.” Lavos: „Het houdt mensen in een versufte, onzekere toestand, zonder dat ze begrijpen wat er aan de hand is.”

Overlevingsdrang

Als de crisis ergens goed voor is, zeggen de jongeren, is het dat meer mensen willen weten hoe het echt zit. „Het systeem wil onze natuurlijke overlevingsdrang aanjagen. Ieder voor zich, om te blijven consumeren. Je kunt ook wel kwaad worden op de banken, of zoals wij hier in Portugal, de Duitsers van alles de schuld geven, en jullie in het noorden ons zuiderlingen”, zegt Lavos. „Maar een ander de schuld geven vervult alleen een kortetermijnbehoefte. Toen ik tijdens het kamperen voor het parlement met voorbijgangers sprak, merkte ik dat veel mensen ook hun eigen leven willen veranderen.”

De Spaanse onderzoekster Joana Conill signaleert een soortgelijke trend. Samen met de Catalaanse socioloog Manuel Castells maakte ze de documentaire Homenatge a Catalunya II, waarin ze Catalanen portretteerden die economische alternatieven ontwikkelen. Stedelingen die op hun dakterras een groentetuin aanleggen om deels zelfvoorzienend te zijn. Jongeren die een oude boerderij opknappen om een boerencoöperatie op te richten. Buurtbewoners die spullen uitwisselen op ruilmarkten. Kleine gemeenschappen die met alternatieve munteenheden werken en de opkomst beklemtonen van ethisch verantwoord bankieren. Maar ook vaders en moeders die minder werken om in een ouderparticipatiecrèche meer voor de kinderen te zorgen.

Castells constateert in de film „dat we ons in een fundamentele crisis bevinden die niet het einde van de wereld is, maar wel van de wereld zoals die de afgelopen twee decennia is gebouwd op een kaartenhuis van financiële speculatie.” Hij ziet dat „de staat, bedrijven en media misbruik maken van de angst door op te roepen tot discipline, werk en opofferingen met de belofte dat we zo kunnen terugkeren naar het verloren land der consumptie. Tevergeefs. Het oude model van werken om te lenen om te consumeren kan niet langer volgehouden worden nu de kunstmatige schepping van kapitaal tegen zijn grenzen aanloopt.”

De projecten in de film bestonden al voor het uitbreken van de crisis, maar winnen snel aan populariteit, zegt Joana Conill. „De kern is dat burgers ontsnappen aan de dagelijkse ratrace. Ze mogen best blijven consumeren, maar moeten ook zelf weer producent worden. Geld kan zo zijn reële waarde terugwinnen.”

Uit Conills onderzoek blijkt dat de crisis de bekendheid en populariteit van dit soort initiatieven vergroot. Zo stijgt het aantal mensen dat deelneemt aan de boerencoöperaties. Evenals het aantal klanten van ethische banken zoals Triodos. Ook hield ze in Catalonië een enquête waaruit bleek dat 59 procent graag minder zou werken al ging men er in inkomen op achteruit. „Het zijn mensen die vaak maar heel kleine dingen doen. Maar het zijn wel steeds meer mensen die kleine dingen doen.”

Hun motieven verschillen. „Sommigen willen niet langer deel uitmaken van een systeem dat ze oneerlijk en schadelijk vinden. Anderen voelen zich hier gelukkiger bij dan alleen maar werken-kopen-werken-kopen. Het kapitalisme jaagt individualisme aan, terwijl mensen van nature graag bij een collectief willen horen. Het is vooral een reactie op het systeem, niet tegen het systeem.”

Het is ook geen strijd van niet-kapitalisten tegen kapitalisten. „Niemand kan helemaal zelfvoorzienend zijn, als je al dat zou willen. Iedereen verricht elke dag wel een kapitalistische transactie. Het gaat erom dat een andere, duurzamer, eerlijker economische cultuur ontstaat.”

Op de protestbewegingen die nu in het Westen opstaan, klinkt regelmatig de kritiek dat zij niet met concrete voorstellen of einddoelen komen. Conill, die zelf mee demonstreerde in Barcelona, deelt die mening niet. „Het gaat er niet om waar je uiteindelijk uitkomt. Het gaat er om hoe je daar probeert te komen.”

Hoe de belangenstrijd tussen burgers en banken ook afloopt, uiteindelijk zal in heel het Westen het consumentisme oude stijl niet kunnen overleven, denkt Conill. „Mensen die zich in de schulden hebben gestoken, zullen daar nog lang onder lijden. Maar het is zeer interessant dat hiertegen nu rechtvaardigheidsbewegingen opstaan, zoals groepen die actie voeren tegen huisuitzettingen.”

Maar ook voor mensen zonder betalingsproblemen zal de kredietschaarste nog lang voelbaar blijven. Conill: „Dit maakt dat we niet op dezelfde voet zullen terugkeren. Het zal niet met een klap gaan zoals bij de krach van 1929, maar geleidelijk, over jaren uitgesmeerd. Voor de crisis hadden we twee huizen, drie auto’s, vier computers. Over een paar jaar zullen we terugblikken en beseffen dat we er misschien er nog van elk één hebben. En we zullen er niet minder gelukkig om zijn.”

    • Merijn de Waal