‘Ik wil 130 worden’

Modeontwerper Hans Ubbink heeft succes met zijn frivole kleding. Bij een kopje soep ontvouwt hij zijn geheim: doorzetten en doorgaan.

Modeontwerper Hans Ubbink: „Ik draag niet alles wat ik maak, maar wel altijd iets van mezelf.”

Wie wil weten wie modeontwerper Hans Ubbink (50) is, moet kijken naar de mannen die zijn kleren dragen. En vooral naar hun beroep. Ze zijn schrijver (Bart Chabot, Ronald Giphart, wijlen Martin Bril); televisiepresentator (Beau van Erven Dorens, Jeroen Pauw, Matthijs van Nieuwkerk); muzikant (Michiel Borstlap, de mannen van de Britse band Duran Duran). Hans Ubbink maakt ook kleren voor vrouwen. Denk dan aan: zangeres Ellen ten Damme, actrice Kim van Kooten. Zijn kleren zijn klassiek, maar toch frivool. Een jasje met mohair op de revers, een opvallende binnenvoering, een pak met een gebloemd shirt eronder.

Straks, als ik hem vraag zijn merk te omschrijven, zal hij zeggen dat zijn kleren ‘creatief intellectueel’ zijn en dus door mensen wordt gedragen die dat ook zijn. Bovengemiddeld veel artiesten inderdaad, maar laatst hoorde hij dat een professor aan de Vrije Universiteit ook een liefhebber is. Meer dan het beroep, is het de „instelling, de levensvisie, de mentaliteit” die zijn kleren met zijn klanten gemeen hebben. Hoe een broek, een jasje of een overhemd intellectueel kan zijn, dat zal hij zo moeten uitleggen. Als hij zijn merk omschrijft, zegt hij meteen iets over de man naar wie het is vernoemd. Hijzelf. „Ja, via mijn merk kun je mij leren kennen.”

Hans Ubbink is vrij lang (1.87) en nogal slank (broekmaat 48, jasje 50). Hij draagt zijn lichtgrijze broek iets hoogwater boven halfhoge, bruine veterschoenen, een grijs T-shirt onder een hagelwit overhemd, een grijs vest onder een bruin suède jas. Winters, zegt hij, maar op z’n Zuid-Europees. „De Nederlandse man doet bij kou een dikke trui aan, jack erover, klaar. De Italiaan, en de Engelsman trouwens ook, doet laag over laag. Warm, maar toch mooi en elegant.” Zijn uiterlijk, zegt hij, past bij zijn streven de „perfecte gentleman” te worden. Alles wat hij aanheeft is Hans Ubbink. „Ik draag niet alles wat ik maak, maar wel altijd iets van mezelf.”

Hij werkte eerder voor ander labels (JC Rags, Book’s). Na wat zakelijke teleurstellingen begon hij in 2000 samen met zijn vrouw Ans (deze week zijn ze 31 jaar samen) zijn eigen merk. Tot voor kort hielden ze kantoor in een loods op Schiphol, nu zit hij tijdelijk in een pand bij de Utrechtsebrug in Amsterdam, in afwachting van de verbouwing van een loods van 2.000 vierkante meter op het voormalig Stork-terrein in Amsterdam-Oost. We lunchen in de buurt van zijn kantoor, bij de Firma Pekelhaaring. Een Amsterdams restaurant met Italiaanse gerechten. Hij is herstellende van een hardnekkig buikvirus en begint met een kopje thee. Zodra het geserveerd is, vraagt hij om een ijsklontje. „Ik heb het geduld niet te wachten tot het is afgekoeld.” Net zo goed heeft hij een hekel aan auto rijden, of aan onderweg zijn in het algemeen. „Ik wil er zijn. Ik wil doen.”

Jaren zeventig

Snel ter zake dus. Intelligente mode, zeg ik. Wat is dat? Wat is het verschil tussen een pak van hem en van een ander? Hij begint bescheiden. „Tja. Wat is het verschil tussen een deuntje en muziek? Tussen een goed en een geweldig muziekstuk. Geen idee.” Om daarna zijn ideeën heel precies te ontvouwen. „In mijn kleding zit het vrijgevochtene van de jaren zeventig waarin ik opgroeide. Mijn affiniteit met rock-’n-roll, je ziet eraan af wat ik aan ontwikkeling en ervaring heb opgedaan.”

Hij maakt twee collecties per jaar (HU.man en HU.woman, de hoofdletters zijn z’n initialen) plus een Blue-collectie voor de jongere klant. Te koop in 120 modewinkels in Nederland. Dat zijn geen exclusieve Hans Ubbink-winkels, maar multibrand-stores waar ook andere merken hangen. Dat is juist goed, zegt hij. „Niet alleen maar Hans Ubbink, daardoor zie je het verschil. En mijn klanten begrijpen wat goed met elkaar combineert. Ze drinken toch ook geen goede wijn bij het ontbijt, maar bij het diner.”

Helemaal volgen kan ik hem niet. Hans Ubbink excuseert zich. „Ik sla vaak de eerste vijftien stappen over.” Hij geeft een voorbeeld. In al zijn kleding is een biesje genaaid met daarop een tekstregel. ‘The best you can become, is yourselve’, Of: ‘Reputation is what other hu.mans know about you’. „Tegenwoordig zit bij elk theezakje en elk suikerklontje een spreuk. Maar ik doe het al twintig jaar. Alleen ik heb er nooit ruchtbaarheid aan gegeven, ik wil dat mensen het zelf ontdekken.”

Nog een voorbeeld. Hij loopt met zijn vinger de rij witte knoopjes op zijn shirt af en houdt stil bij eentje. Ik zie het: die is kleiner dan de andere. „Het zit ’m in de details. Er is bij mij altijd een dissonant. Juist de imperfectie maakt het menselijk.” Hu.man zeg maar. Nog een voorbeeld. In zijn nieuwe collectie zit een donkerblauw hemd met oranje konijntjes. Hij pauzeert even, als om te testen of ik nu zelf kan invullen wat hij bedoelt. „Het is een knipoog naar het klassieke hemd, vooral qua kleurstelling. Als een man het draagt, zal hij zeker iemand ontmoeten die zegt: ‘Ja, dat hemd, dat snap ik eigenlijk wel.’”

Want dat is ook een doel van zijn kleding. „Het brengt je in contact met mensen met wie je denkt op te kunnen schieten. Mensen die je persoonlijkheid waarderen en misschien je levensvisie delen.” Maar dat, zeg ik, betekent ook dat je mensen uitsluit. En ik biecht op dat ik niet speciaal dol ben op mannen met bloemetjesoverhemden. Hij maakt een wegwerpgebaar. Zijn overhemden met gewaagde print waren een hit. „Maar dat beeld is nu besmet.” Hij bedoelt: het is te veel nagedaan. „Op een foute manier.” Maar het klopt, zegt hij, dat je door zijn kleding gelijkgestemden aantrekt én tegelijk anderen uitsluit. „Je kiest ervoor je te onderscheiden van de massa. Natuurlijk zijn er dan ook mensen die jou niet snappen.”

Niet iedereen kan een Hans Ubbink dragen. Groter dan mannenmaat 54 maakt hij niet. Maat 56 hooguit voor lange mensen, niet voor dikke. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar uit wat hij wel zegt, valt op te maken dat hij vindt dat mannen met een maatje meer beter hun best moeten doen voor een maatje minder. Kijk naar hem: hij rookt en drinkt niet, eet gezond. Drie keer per week staat hij om 6 uur op, rijdt vanuit Huizen naar de sportschool in Amsterdam, traint tot 9 uur, en is om kwart over 9 op de zaak. Sinds twee maanden traint zijn zoon Tim (19) die in Amsterdam studeert mee. „Ik train om drie redenen. Je kunt geen leidinggevende functie hebben als je niet fit bent.” Hans en Ans hebben vijftien man in dienst. „Twee: ik wil 130 worden. Je kunt me niet gelukkiger maken dan nu tegen me te zeggen dat ik gezond heel oud ga worden.” En drie: hij houdt zijn lichaam graag in vorm.

Hij kiest de paprikasoep. En nog een kruidenthee. Daar drinkt hij elke dag wel drie liter van. Nooit koffie? „Twee kopjes per dag. Heel soms in de middag nog een espresso.” Gedisciplineerd, zeg ik. „Om te komen waar ik nu ben, moet dat wel.” Hij weet nog goed, in 1999 brak de Italiaanse modeontwerper Roberto Cavalli door. „Ik had nog nooit van die jongen gehoord en dan ineens zo groot worden. Later bleek dat hij al 25 jaar bezig was. Of neem Bvlgari, of welk luxemerk dan ook. Daar zitten jaren van hard werken achter. De generatie van nu denkt dat je in een avond popster kan worden. Nee. Het geheim is: doorzetten en doorgaan.”

Discipline

De discipline heeft hij van zijn vader, marketingman en lid van de raad van bestuur van Melkunie. Het „feilloze esthetische gevoel” van zijn moeder. Hij is de oudste van drie kinderen (broer Taco is zijn zakelijk directeur). „Toen ik op de middelbare school zat, kwam ik thuis met een rapport dat niet geweldig was. Mijn vader sprak me daarop aan. Ik zei: ‘Maar ik heb zo vreselijk mijn best gedaan.’ Je best doen is niet goed genoeg, zei hij. ‘Je moet het goed doen.’” Met die last heeft hij leren leven. Last? „De last dat het niet snel goed genoeg is.”

Lastig, zeg ik. Ik bedoelde: voor hemzelf. Hij hoort: voor anderen. „Ik kan moeilijk begrijpen dat iemand niet het beste uit zichzelf haalt. Waarom zet je niet dat ene stapje extra, en ga je nog een uurtje langer door.” Lastig ook voor zijn kinderen, zeg ik. Naast Tim heeft hij nog een dochter, Sanne van 17. „Ik heb geprobeerd hen iets ontspannener op te voeden dan mijn vader deed. Dat ze hun best doen zonder een maagzweer te krijgen.” Hij maakt direct een terzijde. „Een hoogleraar uit Leuven stelt dat mijn generatie ouders zijn kinderen niet stimuleert. Bij de eerste tekening roepen we dat hij prachtig is en hangen hem op. Je kunt ook zeggen: als je er nou nog een zonnetje bij tekent is je tekening niet mooi, maar prachtig.”

De zon is ondertussen gaan schijnen, het wordt warm aan het tafeltje bij het raam. Hans Ubbink trekt een laagje uit en hangt het over de stoelleuning. Op de voering van het colbert staan catwalkfoto’s van zijn mannenshow. „Al mijn voeringen bedruk ik digitaal. Heel kostbaar, maar wereldwijd nooit eerder vertoond. Het geeft de drager het gevoel iets bijzonders aan te hebben. En hij kan zelf bepalen of hij het met anderen wil delen. Ik heb klanten die internationaal zaken doen. Die bellen me dan: ‘Hans, je binnenkant had weer zo’n succes.’”

Hans Ubbink bestelt nog een glaasje water. Niet gekoeld, zegt hij erbij. En tegen mij, ter verklaring: „Echt Italiaans, hè. Water hoort niet koud te zijn.” Hij staat op het punt internationaal te gaan met zijn merk. Daar was al eerder sprake van. In 2010 zou de Amerikaanse keten Qelavi 23 filialen openen met voornamelijk Nederlandse merken, waaronder ook Hans Ubbink. Maar de keten ging failliet. Voor het eerst is Hans Ubbink nu te koop in winkels buiten Nederland. In Parijs en Antwerpen. Heerlijke stad, Antwerpen, maar niet om te wonen. Hij heeft het twee jaar gedaan. Zat hij met een Belgische collega gamba’s te eten. De collega kreeg een bakje warm water met citroen, zoals het hoort. ‘Die arrogante Hollander’ – hij dus – kreeg een koude plens met een sinaasappelschil. „Zo onvriendelijk.”

Het buitenland is niet zaligmakend, zegt hij. „Eerst wilde ik in Nederland iets neerzetten.” Niet dat Nederland een modeparadijs is, zeker niet. „Maar juist omdat hier zo weinig traditie is, kun je grote stappen zetten. In Engeland of Italië ontketen je meteen een revolutie als je de mouwkop een extra plooitje geeft.” En, nog een voordeel, als een Nederlandse man bereid is geld te betalen „voor de uitspraak die hij met een Hans Ubbink kan doen”, dan zal het in het buitenland ook wel lukken.

Zelf is hij de komende week in Parijs, om stoffen uit te zoeken voor het volgende zomerseizoen. Zijn stofgebruik is zijn handelsmerk. Een mannenpak gemaakt van een vrouwenstof, en andersom. Hij denkt dat de stoffen straks zacht en luxe zullen zijn. „De Hans Ubbink-man heeft liever minder van iets goed, dan veel van mindere kwaliteit.” En de kleuren, vis ik? Hij denkt aan volle kleuren. „Die je omarmen en niet schreeuwen.” Hij kijkt of ik hem wel begrijp. Wijst naar het flesje olijfolie. „Eerder die kleur, dan het groen van de verpakking van dit theezakje.” Ik snap het.

    • Rinskje Koelewijn