Groen is voorbij

Duurzaamheid, ecologie, de planeet – ‘groen’ was de afgelopen jaren een toverwoord, maar mede dankzij ongenadige commercialisering hebben we er nu alweer genoeg van, betoogt Jan Kuitenbrouwer.

Het pochet is de nieuwe stropdas, Griekenland is de nieuwe Koran en klein is het nieuwe groot. Ik geef het u maar even mee, al was ik op de website van de ‘trendwatcher des vaderlands’ Adjiedj Bakas naar iets anders op zoek. Namelijk naar het antwoord op de vraag: is ‘groen’ inderdaad ‘uit’, of denk ik dat maar?

In zijn prognose van 2012 is er niets over te vinden, maar het zou voorbarig zijn om te concluderen dat groen volgens Bakas onverminderd in is. Nee, zoals het zo’n ziener betaamt, was hij er eerder bij, hij signaleerde de in-out-shift van ‘groen’ reeds in zijn prognose van 2011! Wij worden „groenmoe”, schreef hij toen.

Groenmoe. Dat is het.

Duurzaamheid blijft onverminderd belangrijk, zeker, zonder meer, maar inderdaad, we zijn een beetje groenmoe.

Zou het zijn omdat het een kleur is? Dat we inmiddels zo geconditioneerd zijn op de jaarcyclus van de mode-industrie dat we neuropsychologisch niet meer in staat zijn om langer in de ban van een kleur te zijn dan de redactie van Vogue of Eigen Huis? En daar, in de boetieks en de bladen, is de kleur groen dus inderdaad in geen velden of wegen meer te bekennen. Nooit erg in trek geweest, overigens. Het blijft tenslotte de kleur van de natuur, de erfvijand van de mode.

Of is het de hoge bloeddruk van het mediasysteem, de almaar toenemende snelheid waarmee de tekenen des tijds ons om het hoofd razen, opgewerkt in het reactorvat genaamd internet, die cyclotron van beelden en ideeën, stemmingen en koersen, waarin je soms niet meer weet of je een trend in de ogen of in de aars kijkt. Ideeën die al doodverklaard zijn als je er voor ’t eerst kennis van neemt.

Het is een politieke wetmatigheid: problemen die slepen zonder te worden opgelost, krijgen telkens een nieuwe naam. Je ziet het met immigratie (gastarbeider, etnische minderheid, migrant, allochtoon, nieuwkomer, medelander) en met ‘het milieu’ doen we het ook. Vervuiling, ecologie, CO2, de planeet, het klimaat, duurzaamheid, enzovoorts.

Groen. Op een gegeven moment is zo’n woord ‘op’. Afgezaagd, uitgekauwd.

„Groen moet je doen.”

„Yeah, been there, done that.”

„Groen? Moe!”

Vergelijk dat met de kwijlende wellust waarmee het begrip een paar jaar geleden van mond tot mond en hand tot hand ging. De groene verf was niet aan te slepen. Tonnen accijnsvrije, CO2-uitstotende straalvliegtuigen werden de hangar ingetrokken en kwamen even later groen weer tevoorschijn. Bij de incheckbalie van het vliegveld stond een groene computerzuil waarop je je vlucht voor een paar euro alsnog groen kon maken, alsof er dan nog snel een mannetje naar het toestel rende, twintig liter kerosine uit de tank haalde en verving door biodiesel, of zoiets. Nee, dat ging met ‘rechten’ en ‘aandelen’ en ‘compensatieprogramma’s’. Met ecologische credit default swaps, zeg maar.

Ja, daar heb je het weer: het fictiedenken van de neoliberale spreadsheetzeloten: de businessbèta’s met hun hyperingenieuze transactiemodellen, waarin je het gif dat in de Oekraïne uit een schoorsteen komt neutraliseert door in het Amazonegebied een stekje te planten, besteld met een creditcard op Eindhoven Airport. Bij een bedrijf met Green in de naam, opgericht door twee iets te dikke bachelormajors uit Rotterdam, die via de TROS, BNR en Harry Mens verkondigen dat ‘groei’ en ‘groen’ wel degelijk heel goed samengaan, hoewel ze die woorden zelfs soms freudiaans verwisselen. Zo doe je dat. Het begrip ‘groen’ werd in korte tijd wel zo ongenadig commercieel uitgewoond dat we het niet meer willen horen, zoals je ook niet wilt kijken naar een vrouw die met gescheurde netkousen en een gebroken hak in een portiek zit.

GroenLinks wil er nu ook vanaf. Tja, als de mensen die het zó belangrijk vonden dat de aarde gered werd dat ze er speciaal een politieke partij voor oprichtten, die ambitie openlijk laten varen, wat kun je dan eigenlijk nog van gewone burgers verwachten? Dan vormt ook dat ‘Groen’ van GroenLinks met terugwerkende kracht weinig meer dan een trendy accessoire. „Groen ligt niet zo goed meer”, heette het onlangs in een stuk over de onvrede bij de partij. Die dus ook al op zoek is naar een verhaal. Pardon, een nieuw verhaal. Want wat ze hadden, is dus eigenlijk zó vorig jaar. Of nou ja, vorig decennium, vorige eeuw, whatever.

Het is typisch Nederlands, ook dat nog. Eigenlijk zouden wij Je Maintiendrai moeten inruilen voor onze echte nationale lijfspreuk: ‘Geen Daden Maar Woorden’. Idealen zijn goed, tot ze uit de mode raken natuurlijk.

Een andere stroming binnen GroenLinks wil niet van ‘Groen’ af, maar juist van ‘Links’. Waarschijnlijk gaat de partij binnenkort verder onder de naam ‘LiggendStreepje’.

Groen is ‘uit’ en de hybride auto’s vliegen de showrooms uit. Dat ook ik laatst een proefritje in zo’n auto maakte, is vooral omdat een gemiddeld verbruik van 1 op 7 voor onze twee auto’s met de huidige benzineprijzen een beetje begrotelijk begint te worden. Poen is het nieuwe groen.

Jan Kuitenbrouwer is journalist en schrijver.

    • Jan Kuitenbrouwer