Groen heeft toekomst wél

Maak van het thema ‘groen’ geen splijtzwam tussen links en rechts, betoogt Wijnand Duyvendak. De toekomst ligt in plaats daarvan bij een beweging van onderop, die ook politieke invloed moet leren uitoefenen.

Het is een rotprobleem, de opwarming van de aarde: het is ongrijpbaar en mondiaal van aard. De aanpak ervan vraagt een zeer lange adem en eenvoudige oplossingen zijn niet voorhanden. Het is daarom niet verbazingwekkend dat de klimaatverandering van de politieke agenda verdwijnt, zodra problemen uit het hier-en-nu zich opdringen, zoals de financiële crisis, of de burgeroorlog in Syrië.

„Dit is zo belangrijk dat we het niet aan de linkse partijen kunnen overlaten”, zegt VVD-lijsttrekker Rutte nog in 2006. PvdA-voorman Bos doet er dan onmiddellijk een schepje bovenop: „De toekomst zal groen zijn of zal niet zijn”. Van deze betrokkenheid bij de klimaatverandering is enkele jaren later in politiek Den Haag niets meer over. Het ministerie van Milieu is opgeheven, de ambities om de uitstoot van broeikasgassen te beperken zijn fors beperkt.

Rutte en Bos doen hun uitspraken op het moment dat een grote klimaatgolf de wereld overspoelt; Al Gore is er het gezicht van. Het is de tweede klimaatgolf. De eerste grote piek in de aandacht voor het broeikaseffect houdt Nederland van 1989 tot 1991 in haar greep: VVD-minister Nijpels en CDA-premier Lubbers agenderen in die jaren met veel kracht het nieuwe onderwerp. De Koningin spreekt in haar kerstrede in 1989 de gedragen woorden: „Langzaam sterft de aarde en wordt het onvoorstelbare – het einde van het leven zelf – toch voorstelbaar”.

De eerste en de tweede klimaatgolf kunnen tot waskom komen in tijden van economische voorspoed. Beiden delven het onderspit op het moment dat de economie begint te haperen. De aandacht vervliegt en de aanpak blijft steken in vrijblijvende en vrijwillige maatregelen. Het gevolg is dat de Nederlandse CO2-uitstoot sinds 1990 met 15 procent is gegroeid, in plaats van met 20 of 30 procent is gedaald, zoals de ambitie was.

In de jaren zestig en zeventig is milieu nog vooral een ‘links’ onderwerp. Dat verandert in de jaren tachtig door inzet van VVD’er en milieuminster Winsemius, en later door de niet aflatende ijver van Nijpels en Lubbers. Milieu wordt een zaak van algemeen belang, niet links of rechts.

Maar de laatste jaren is het broeikaseffect als nog inzet geworden van een ideologische strijd. In de Verenigde Staten haastten de afgelopen maanden alle Republikeinse presidentskandidaten zich om te verklaren dat ze niet in de klimaatverandering ‘geloven’.

En ook in Nederland is de ‘vermeende’ klimaatverandering voor rechts-conservatieven een ijkpunt om te tonen uit het goede hout gesneden te zijn. Het is geen toeval dat drie NRC-columnisten van rechtse snit (Martin Bosma, Dirk-Jan Eppink, en Thierry Baudet) niet lang na hun aantreden een felle column publiceerden over de ‘vermeende’ opwarming. Als een bewijs van goed rechts gedrag.

Vicepremier Verhagen positioneert zich ook graag langs deze lijnen door aandacht voor het milieu weg te zetten als een „moralistische stok om ondernemers, boeren en bedrijven mee te slaan”. De PVV was hem al voorgegaan met dit vertoog.

In mijn boek Het groene optimisme verklaart oud-CDA-fractievoorzitter en staatssecretaris van Milieu Pieter van Geel deze politisering van het milieu – door rechts – uit een sterk verlangen om onbezorgd van het goede leven te kunnen genieten. Zonder lastiggevallen te willen worden met problemen van anderen en zonder de gevolgen van het eigen gedrag onder ogen te willen zien.

Op de achtergrond speelt zeker ook weerzin mee tegen een staat die zich bemoeit met het economisch leven. Inderdaad onvermijdelijk, als we de vervuiling willen beteugelen. ‘Watermeloenen’ worden in de Verenigde Staten ijveraars voor de groene zaak wel genoemd: groen van buiten maar rood van binnen.

De trage voortgang bij de aanpak van de opwarming en de slepende debatten stemmen me vaak pessimistisch. Is het probleem van de opwarming van de aarde niet een paar maten te groot om op te lossen?

Toch heb ik hoop. Er is, als resultante van de tweede klimaatgolf, in het bedrijfsleven, in gemeenten, en via velerlei initiatieven om zelf energie op te wekken, een grote beweging van duurzame wij-doen-het-zelvers opgestaan. Ze zijn niet, zoals de klassieke milieubeweging was, op de politiek georiënteerd, maar heel concreet bezig met het zelf reduceren van de uitstoot. Dit is een unieke, nog steeds groeiende trend. Deze ‘beweging aan de basis’ is een voorwaarde voor de stappen die de politiek zal moeten zetten: het vaststellen van strenge normen, introduceren van een hogere prijs voor vervuiling, en de aanleg van een duurzame infrastructuur. Zonder maatschappelijke steun zal politiek Den Haag dit nooit gaan doen.

Duurzame wij-doen-het-zelvers hebben vaak het naïeve idee dat de omslag zich als vanzelf zal voltrekken. Maar zij zullen zich op de politiek moeten gaan richten: zonder maatschappelijke pressie is de grote macht van de fossiele energielobby in Nederland nooit te breken.

Het is kunst voor iedereen die het milieu een warm hart toedraagt bij alle inspanningen een technocratisch vertoog te vermijden. Dat doet niemands hart sneller kloppen en doet ook onrecht aan de aard van het vraagstuk. De aanpak van de klimaatverandering is primair een morele kwestie: we moeten stoppen de gevolgen van onze levenswijze af te wentelen op mensen elders in de wereld en op generaties die na ons komen. Het is een vraagstuk van solidariteit en compassie.

Ik houd ook de hoop dat het politieke krachtenveld verandert: Nederland heeft net als Duitsland een krachtige groene partij nodig. De groene wind die in Duitsland waait, is het resultaat van de jarenlange, consequente, en ook zeer inhoudelijke inbreng van Die Grünen. Door hun krachtige positie in het politieke speelveld kunnen ze zowel de SPD, als de CDU/CSU in groene richting drijven. Het klimaatvraagstuk is door hen wel gepolitiseerd maar niet links-rechts gepolariseerd. GroenLinks zou aan Die Grünen een voorbeeld kunnen nemen, in plaats van een discussie te openen of ze zich aan D66 dan wel PvdA of SP zou moeten spiegelen.

„Hoop is een kwaliteit van de ziel. Hoop is niet te voorspellen of vooruit te zien”, schreef Vaclav Havel. Niemand zag de val van de Muur in 1989 aankomen, evenmin zijn tien jaar geleden de onderwerpen die nu de politiek bepalen – de financiële crisis, opstanden in de Arabische landen, de opkomst van populistische beweging – voorzien.

We kunnen heel slecht in de toekomst kijken. Ik houd hoop, de komende tien jaar is alles mogelijk.

Wijnand Duyvendak is oud-Tweede Kamerlid voor GroenLinks en auteur van het recent verschenen boek Het groene optimisme – het drama van 25 jaar klimaatpolitiek.