Goudse pijpen

Geen woord schrijf ik over de winter, de sneeuw, het schaatsen, de toestand op het spoor, gebroken botten. Dat had ik me heilig voorgenomen, een dag of tien geleden toen de nationale hype op gang kwam. Maar nu breek ik toch deze plechtige gelofte. Dat komt door Het Parool van 7 februari. Daar las ik op pagina vier dat een zestienjarig meisje uit Nieuwegein aan een lantarenpaal is vastgevroren toen ze die een zoen gaf. Het gebeurde ’s nachts om kwart over een. Met een paar vrienden was ze uit een café gekomen. Ze had het voor de grap gedaan, maar de temperatuur van het ijzer was ver onder nul en binnen een fractie van een seconde zat haar tong vast. Met een bakje warm water heeft de politie haar bevrijd.

Een jaar of 57 geleden ben ik in de journalistiek gegaan. Op de eerste dag werd ik even apart genomen door een geroutineerde verslaggever, Jaap Balk. Straks wordt het weer winter, zei hij, en dan gebeurt het. Een schooljongetje likt aan een brugleuning en zijn tong vriest vast. Dat komt in de krant, want het is een leuk stadsnieuwtje. De dagen daarop likken tientallen jongetjes aan brugleuningen, allemaal met hetzelfde gevolg. Hoe komt dat? Ze willen het niet geloven en dus gaan ze het zelf proberen. Daarom: nooit een berichtje maken van een kind dat aan de brugleuning heeft gelikt. Voor je het weet zitten hele lagere scholen vastgevroren.

Het is een wet. Iedere publiciteit werkt aanstekelijk. Als je op de televisie een mooi meisje haar tanden met Popsodix ziet poetsen waarna ze betoverend stralend glimlacht, denk je: een idee, en je koopt een tube Popsodix. Je weet dat je er geen mooi meisje van wordt, maar in ieder geval kan het geen kwaad. Waarom zou reclame anders werken dan een berichtje over iemand die aan de brugleuning heeft gelikt waardoor zijn tong is vastgevroren? Positief of negatief, de mensen ‘steken elkaar aan’, ze doen elkaar na. Anders was er geen Elfstedentocht.

Zo kom ik vanzelf op een jeugdherinnering. Destijds woonde ik in Rotterdam waar we onze eigen versie van de Tocht der tochten hadden: naar Gouda, stroopwafels eten, Goudse pijpen kopen en weer terug. Een goudse pijp is van een bros soort steen, met een dunne, lange of een kortere steel, of de steel tot een kunstig gewikkeld cirkeltje verwerkt.

En nu was de strenge winter van 1939-1940 aangebroken. De strijdkrachten waren gemobiliseerd, prins Bernhard bezocht de kleumende soldaten, de Waterlinie was bevroren en moest met geweldige cirkelzagen weer worden opengemaakt en je kon op de schaats naar Gouda, heen en terug een veertig kilometer. Dat wilde ik ook, het mocht, mijn moeder pakte me warm in en de elfjarige ging op weg.

Zonder ongelukken bereikte ik het eindpunt waar een stuk of wat kraampjes op het ijs stonden. Ik dronk een bekertje warme anijsmelk, at een stroopwafel en kocht twee Goudse pijpen, een lange die door een vriendelijke mevrouw op de achterkant van mijn jack werd bevestigd, en een mooi krom pijpje dat ze op mijn duivelskapje naaide. Een duivelskapje is een gebreide muts, met klepjes voor op je oren en een punt die over je voorhoofd reikte. Vandaar de toevoeging duivels. Toen een moderne ijsmuts.

Op de terugweg gebeurde er niets bijzonders, ik reed het laatste traject over de Ringvaart, trots en voldaan bereikte ik het eindpunt, voor mij waar de Laan van Nooitgedacht uitkomt op de Kralingseweg. Ik had het warm gekregen, rukte het duivelskapje af en liet het op het ijs vallen. Krak. Het mooie goudse pijpje was in drie stukken gebroken; twee lagen op het ijs, het derde hing nog aan een draadje in het breiwerk.

Wat ging er toen door je heen, vragen we tegenwoordig. Een fractie van een seconde was ik verbijsterd. Dat is een toestand van de geest die je zelden ervaart. Dat kleine ogenblik dat je nodig hebt om te beseffen wat er is aangericht. En nu had ik dit door mijn eigen stommiteit gedaan. Veertig kilometer voor niets geschaatst. Traumatische ervaring. Iedere winter moet ik er weer even aan denken.

Nu hebben we Google Earth. Ik wilde eens zien of ik die plaats des onheils kon vinden. Laan van Nooitgedacht, Kralingseweg, Ringvaart staan er allemaal keurig op. Maar daarna raakte ik de weg kwijt. Wat ik ook in- en uitzoomde, het hielp niet. En tegelijkertijd wilde ik steeds meer weten. Waar is die kunstmatige heuvel aan de Ringvaartweg? Gemaakt van het puin van de gebombardeerde stad. Later zijn er bungalows op gebouwd. Het is de enige plaats in Rotterdam waar niet geheid hoefde te worden. Wordt dat door de mensen die daar nu wonen wel beseft? Komen ze weleens in de verleiding een gat in de tuin te graven, op zoek naar een paar geblakerde stenen van een huis dat op 14 mei 1940 is verwoest? Of zijn die bungalows ook weer afgebroken? De grillige kanalen van het geheugen eindigen meestal in vraagtekens.

    • S. Montag