Feest voor doorzetters

Volgende week is het carnaval. Een kleine handleiding.

Carnaval, dat is toch dat feest waarbij hele families, of hele straten, of hele steden zich verkleden, stomdronken worden en met z’n allen lallend over straat gaan?

Fout. Dat is Koninginnenacht. Of een voetbalwedstrijd van het Nederlands elftal. Of, eens in de vijftien jaar, een Elfstedentocht.

Of, nou ja, een beetje goed dan. Want natuurlijk wordt er verkleed, gedronken en gelald met carnaval en doen hele families, hele straten en hele steden daaraan mee. Verkleden doen ze in Limburg zelfs nog net iets fanatieker dan in Brabant – zoals hier op de foto’s van Ari Versluis en Ellie Uyttenbroek, die zijn genomen tijdens het carnaval van 2009 in Maastricht. In Brabant volstaat een boerenkiel, of een andere evergreen, zoals een politiepak, een verpleegstersjurk, of een rood kapje.

Een dik pluche teddyberenpak is vooral fijn als je meeloopt in een optocht (koud!) of een groot deel van de carnaval buiten op straat doorbrengt – omdat de cafés veel te vol zijn bijvoorbeeld. Wie daar van houdt: ga vooral naar het Vrijthof in Maastricht.

In Brabant speelt het carnaval zich vooral binnen af, in de kroeg. Of buiten, kleumend in de rij om zo’n kroeg binnen te komen (want wie binnen is, is meestal zo slim om daar te blijven). Na het weekend lost dat probleem zichzelf op, want dan haakt het werkende deel der natie af en zijn de kroegen vooral het domein van studenten, scholieren en de echte doorzetters die vrij hebben genomen voor carnaval.

Tot die laatste groep behoren in elk geval de fanatiekere leden van de carnavalsverenigingen, die toch al het hele jaar door elke gelegenheid aangrijpen om zich in carnavalstenue te kunnen hijsen. Ze beginnen daar traditioneel op de elfde van de elfde mee (11 november om 11 over 11 start het carnavalsseizoen), daarna houden ze nog talloze tonpraotersavonden (cabaret in dialect, de winnaar heet zoiets als ‘opperkletsmajoor’) en ze tuigen een heel circus op rond de verkiezing van Prins Carnaval – naar goed gebruik een ondoorzichtig proces dat van vriendjespolitiek aan elkaar hangt.

Carnaval zelf begint met de feestelijke sleuteloverdracht, waar (vooral in Brabant) burger-vaders de heerschappij over, zeg, Oeteldonk of Kruikenstad overdragen aan Prins Carnaval en zijn Raad van Elf. Na carnavalszaterdag volgt zondag de carnavalsmis, ’s middags de optocht en na het weekend nog een boerenbruiloft, waar een koperen of zilveren echtpaar elkaar in boerenkledij nogmaals het ja-woord geeft. En dan eindigt het op Aswoensdag met haringhappen en op sommige plaatsen het ritueel verbranden of verdrinken van de carnavalsmascotte.

Maar zover is het allemaal nog lang niet! Het feest moet nog beginnen! (want wij zijn binnen!) Wat worden dit jaar de carnavalskrakers? (In Limburg altijd andere dan in Brabant, want ieder heeft z’n eigen carnavalsrepertoire.) Gaat het de Limburgse praalwagenbouwers nog lukken om het faillissement van NedCar in hun carnavalsoptocht te verwerken? Hoe is het de alleenstaande vrouw vergaan die vorig jaar meeliep in de optocht met een lege vogelkooi (‘M’n Piet is weg’)?

En zijn ze er nog: van die langzaam uitstervende carnavalscafés van het type waar gewoon nog een paard in de gang staat en waar je samen met je buurman, tussen de polonaises door, met een melancholische blik in je ene en een biertje in je andere hand, het diepe verlangen kunt bezingen dat je altijd al een bloemetjesgordijn hebt willen zijn? We gaan het zien. Nog zeven nachtjes slapen.

    • Ellie Uyttenbroek
    • Jochen van Barschot