Doe mij ook maar een ruïne

Aflevering 24: over de Engelse landschapstuin.

Landscape with Aeneas at Delos (1672) van Claude Lorraine. ©

Grote grasvlaktes en romantische bosschages, doorsneden met wild stromende riviertjes; machtige loofbomen rondom stille meertjes; een klassieke ronde tempel op een kunstmatige heuvel; een waterval op een steenworp afstand van een Chinese pagode. De Englischer Garten in München, bijna vier vierkante kilometer groot en aangelegd aan het eind van de 18de eeuw, oogt en voelt als een lustoord middenin een wereldstad. Het is het prototype van de grote stadsparken die in de 19de eeuw voor de naar frisse lucht snakkende burgerij werden aangelegd en waaraan de New-Yorkers Central Park, de Parijzenaars Bois de Boulogne en de Amsterdammers het Vondelpark te danken hebben.

Hoewel… prototype? Zoals de naam van de groene long in München al aangeeft, ligt de oorsprong van dit soort quasi-natuurlijke parken in Engeland. Daar werd de landscape garden – het begrip Engelse tuin wordt op de Britse eilanden niet gebruikt – rond 1730 ontwikkeld, als reactie op de door symmetrie gedomineerde jardin à la française, waarvan de baroktuinen in Versailles het bekendste voorbeeld zijn. De pionier was de architect William Kent, die na een verblijf in Italië niet alleen geïnspireerd was geraakt door de classicistische villa’s van Andrea Palladio, maar ook door de landschappen met ruïnes rondom Rome. Tussen 1724 en 1736 had hij zich bezig gehouden met de tuinen rondom Chiswick House ten westen van Londen, waarbij hij elementen van de Franse tuin had aangevuld met ‘schilderachtige’, informele details: een Ionisch tempeltje in een kring van loofbomen, glooiende gazons, een waterval. Het doel was een geïdealiseerde versie van de natuur, of zoals de dichter en tuinarchitect Alexander Pope het rond die tijd formuleerde: ‘All gardening is landscape painting.

Dat laatste mag je vrij letterlijk opvatten. Kent, maar ook die andere pionier van de landschapstuin, de Koninklijke Tuinman Charles Bridgeman, werkte voor rijke landeigenaars die zelf de Grand Tour door Italië hadden gemaakt en die bovendien fans waren van de arcadische Italiaanse landschappen van Claude Gellée le Lorrain (1602-1682). Diens ‘kalme’ landschappen met pittoreske ruïnes waren het model voor de Engelse tuinarchitecten; niet zelden kwamen opdrachtgevers met een schilderij van Lorrain aanzetten en zeiden dan: ‘Zo zou het moeten worden.’ En dus kreeg Rousham House in Oxfordshire een pastorale tuin met een Venusgrot en een aantal klassieke gebouwtjes, en Stowe House in Buckinghamshire een pittoresk park met diverse tempeltjes, een ‘palladiaanse’ brug en een kant-en-klare ruïne. ‘Follies’ heten ze nu.

Foto: Phil Yeomans/BNPS

Stourhead gardens in Wiltshire. Foto: Phil Yeomans/BNPS

Het mooiste voorbeeld van ars artis magistra (‘de kunst is de meesteres van de kunst’) is wel de siertuin van Stourhead in Wiltshire. De bankier en amateur-tuinarchitect Henry Hoare kwam terug van zijn Grand Tour met een schilderij van Lorrain: Landschap met Aeneas op Delos (1672). Hij creëerde een meer door een rivier in de nabijheid van zijn voorvaderlijk huis af te dammen, en omringde dat met exotische bomen en neoklassieke bouwwerken die de sfeer van zijn lievelingsschilderij zo goed mogelijk benaderden. Een effect dat de architectuurcriticus Bernard Hulsman verleidde tot de conclusie: ‘Stourhead als Delos, een tuin als een schilderij: eigenlijk was de vroege landschapstuin nauwelijks minder kunstmatig dan de baroktuin – de kunst van de geometrie was vervangen door de kunst van Lorrain.’

Het was de opvolger van Kent en Bridgeman, Lancelot ‘Capability’ Brown (1716-1783), die de natuur weer de meesteres van de kunst zou laten worden. De meeste van de 170 tuinen die hij ontwierp (Chatsworth, Blenheim en Burghley zijn de mooiste) gaan vloeiend over in het landschap dat hen omringt. Iets dat hem behalve de hoogste lof ook felle hoon opleverde. Bijvoorbeeld van de hofarchitect William Chambers, een man die juist pleitte voor spectaculaire verfraaiingen. Chambers had tussen 1745 en 1747 in China kennis gemaakt met een informele manier van tuinontwerpen (die vijftig jaar eerder een van de inspiratiebronnen van de eerste landscape gardeners was geweest). Voor de botanische tuinen van Kew ontwierp hij een tuin, een huis en een pagode à la chinoise (1761), wat een nieuwe en internationaal invloedrijke rage onder tuinarchitecten teweeg bracht.

Eind 18de eeuw was de Engelse tuin hip, en wat misschien nog belangrijker was: hij was goedkoper dan een Franse, die veel meer mankracht en onderhoud vergde. Nog voordat Chambers’ Chinese folly’s het continent bereikten, had de landschapstuin zich al over Europa verspreid – mede dankzij de pre-romantische filosoof Jean-Jacques Rousseau, die een bewonderaar was van Stowe Gardens en zich liet begraven in de naar zijn idealen vormgegeven tuin van het Picardische Ermenonville (1778). Vijf jaar eerder had graaf Leopold III van Dessau een Engels park in Wörlitz laten aanleggen, terwijl Catharina de Grote de Engelse stijl toepaste rondom haar paleis in Tsarskoje Selo bij Petersburg – inclusief een Chinees dorpje en een palladiaanse brug. Maar het overweldigende succes van de Engelse landschapstuin werd vooral gedemonstreerd door wat gebeurde in Versailles, het brandpunt van het barokke tuinieren. Net voor het uitbreken van de Franse Revolutie werd daar rondom het kleine Trianon-paleis een landschapsparkje met een Romeinse tempel aangelegd. Iets verderop bouwde men een eftelingdorp voor Marie Antoinette, een handvol nepboerderijen waar de Franse koningin ‘terug naar de natuur’ kon gaan – tussen de kunstmatige waterpartijen, de geparfumeerde schapen en de romantische folly’s.