Delfts kopieerwerk

Wetenschapsfraude Wat deed de TU Delft toen een promovenda geplagieerd had? Een zeldzame inkijk in de manier waarop een universiteit een fraudezaak afhandelt.

Karel Berkhout & Esther Rosenberg

De wintersportvakantie van de decaan van de Delftse faculteit bouwkunde wordt in februari 2008 jammerlijk verstoord. De decaan is Wytze Patijn, voormalig rijksbouwmeester en nu stadsbouwmeester van Delft. Hij verneemt dat in het universiteitsblad een artikel is verschenen over een ruzie tussen Russische onderzoekers aan zijn faculteit. Het gaat over beschuldigingen van plagiaat aan het adres van een promovenda. Die beschuldigingen kent hij. Nu worden ze naar buiten gebracht.

‘Ik verneem tijdens mijn wintersportvakantie’ over het artikel, schrijft de decaan aan de klokkenluiders. De beschuldigingen missen volgens hem grond en de klokkenluiders brengen ‘de faculteit in diskrediet’. Hij verbiedt hun om nog over deze zaak te spreken. En indien nodig, schrijft Patijn, ‘zal ik mij beraden op te nemen maatregelen’.

Tien maanden later, op 11 december 2008, zal de vaste integriteitscommissie van de TU Delft constateren dat wel degelijk sprake is van plagiaat. De promovenda blijkt in haar proefschrift vijf passages zonder bronvermelding uit publicaties te hebben overgenomen. In het proefschrift, concludeert de commissie, is ‘sprake van tekstueel plagiaat en derhalve van een inbreuk op de wetenschappelijke integriteit’. Het universiteitsbestuur neemt de conclusie over. Niemand gaat ertegen in beroep.

Plagiaat komt volgens de Nederlandse universiteiten het meest voor van alle fraudezaken. Universiteiten onderzochten de afgelopen zeven jaar zeker 110 zaken van wetenschapsfraude, waarvan meer dan een kwart plagiaat betrof. Dat bleek uit een inventarisatie van deze krant. Een reconstructie van deze enkele plagiaatzaak – op basis van briefwisselingen, gesprekken, rapporten en teksten – biedt een zeldzame inkijk in de manier waarop een universiteit een fraudezaak afhandelt. Het laat zien hoe moeilijk het is een zaak aanhangig te maken. En hoe er blijkbaar discussie kan bestaan over wat plagiaat is. Universiteiten maken fraudezaken zelf niet of beknopt openbaar.

Het afwerende optreden van de decaan typeert de aanpak van de TU Delft. Vroege waarschuwingen worden in de wind geslagen. De klokkenluiders worden keer op keer zwart gemaakt en bedreigd met juridische stappen. De plagiërende promovenda wordt eindeloos de hand boven het hoofd gehouden. Haar overtredingen worden gebagatelliseerd. Na het vaststellen van het plagiaat behoudt ze haar doctorstitel.

Voorzitter Jeroen van den Hoven van de integriteitscommissie die in Delft het plagiaat vaststelt, bevestigt het defensieve optreden van de universiteit. “Dat is begrijpelijk, onderzoek naar fraude kost buitengewoon veel tijd. Maar dat is geen reden om het niet te doen, of om onderzoek uit te stellen.” Hij wil geen informatie geven over de zaak, maar er wel op reageren.

Waarschuwingen

De Russische Tatyana Budantseva (1971) studeert aan de Oeral Staatsacademie voor Architectuur en Kunsten in de Russische stad Jekatarinburg. Via een uitwisselingsprogramma komt ze in de jaren negentig voor het eerst op de faculteit bouwkunde in Delft terecht. Uiteindelijk besluit ze er te promoveren.

De Russische verdiept zich in de avant-garde architectuur in de Oeral tijdens het interbellum, dus in de tijd dat de Sovjet-Unie werd opgebouwd. In de jaren negentig heeft het onderzoek naar de bouwkunst uit die tijd een grote impuls gekregen, doordat na de val van het communisme veel archieven zijn opengegaan. De groep kenners van dit onderwerp is klein. “We kennen en helpen elkaar”, zegt de Duitse onderzoeker Astrid Volpert, die veel speurwerk verrichtte in de archieven in Jekatarinburg.

Een andere kenner is de Russische wetenschapper Ivan Nevzgodin. Hij kwam via hetzelfde uitwisselingsprogramma in Delft terecht. Hij is een van de twee klokkenluiders die het plagiaat aankaartten. De ander is zijn collega en partner, bouwkundig onderzoeker Jan Molema.

Als in deze groep architectuurkenners bekend wordt dat Budantseva op 17 december 2007 gaat promoveren op een proefschrift met de titel Avant-garde between east and west: Modern architecture and town-planning in the urals 1920-30s, ontstaat ongerustheid. Niemand weet nog wat in het proefschrift staat, maar er waren eerder klachten over plagiaat. Zou de promovenda de bronnen nu wel correct vermelden? En zo niet, zouden de leden van haar promotiecommissie in staat zijn dat te achterhalen, met al die Russische bronnen? De co-promotor en architectuurhistoricus Otakar Macel is als Tsjech het Russisch matig tot redelijk machtig. Slechts één ander lid van de promotiecommissie spreekt Russisch, maar nauwelijks Engels.

Onderzoeker Tokmeninova van de Oeral Staatsacademie stuurt daarom een brief naar de conrector in Delft. Ze noemt gevallen waarin de promovenda haar bronnen niet of onvolledig zou hebben vermeld. Ze verzoekt het proefschrift goed te controleren. Ook de Duitse deskundige Volpert stuurt een brief met een waarschuwing. De promovenda zou jaren eerder een studie van Volpert bij een congres hebben willen presenteren als die van haarzelf. De Duitse schrijft: ‘Ik heb uw experts genoeg punten gegeven. Zij moeten kijken, vergelijken en hun mening vormen.’

Dat is precies wat niet gebeurt. Er ontstaan twee kampen. Zij die eisen dat de beschuldigingen uitgezocht worden, al weten ze niet wat in het proefschrift staat. En de promovenda en haar begeleiders, die een hetze zien. Ze mogen me niet, zegt Budantseva. Sinds ze in Delft is, wordt ze door haar vakgenoten tegengewerkt. Ze kan de aantijgingen van eerdere zaken weerleggen, zegt ze.

De conrector doet navraag bij de decaan, die navraag doet bij de co-promotor, die aan de Russische zelf vraagt of de klachten hout snijden en of ze in het proefschrift de bronnen wel juist vermeldt. De promovenda verweert zich en dat is dat. Een paar dagen voor de promotie krijgen de decaan en de co-promotor – volgens de TU Delft – de passages uit het proefschrift onder ogen, die volgens haar tegenstanders op plagiaat zouden berusten. Niets aan de hand, oordelen de twee, na overleg met de promovenda. Plagiaat is pas plagiaat als je ideeën kopieert.

De conrector is tevreden. Hij stuurt een geruststellende brief naar docent Tokmeninova. Een commissie zou de beschuldigingen grondig hebben onderzocht en hebben vastgesteld dat deze niet gegrond waren. De promotor, hoogleraar architectuurgeschiedenis Franziska Bollerey, antwoordt de Duitse Volpert, dat haar promovenda een ‘grondige en verantwoordelijke wetenschappelijk onderzoeker’ is. De Duitse beschuldigingen en de ‘onbewezen stellingen’ zijn ‘onacceptabel’. En of ze zich voortaan graag van ‘smaad’ wil onthouden.

Op de vraag of de universiteit de promotie wellicht had moeten uitstellen, antwoordt de TU Delft dat er ‘een grote individuele verantwoordelijkheid bij de promovenda en haar begeleider’ ligt. Had de promotiecommissie het plagiaat dan moeten zien? “Het was niet heel makkelijk te ontdekken”, zegt Van den Hoven, voorzitter van de integriteitscommissie, “maar met al die waarschuwingen vooraf had de commissie het grondiger moeten onderzoeken.”

Het keerpunt

Op de Russische architectuuracademie zien ze na de promotie al snel overeenkomsten tussen hun eigen werk en dat van de promovenda. Er verschijnt een artikel over in het Delftse universiteitsblad. Co-promotor Macel bagatelliseert daarin het plagiaat: ‘Het zijn encyclopedische of bibliografische gegevens die nauwelijks anders te verwoorden zijn. Zoals: “Deze vesting is van 1643”.’

Het is dit artikel waarop decaan Patijn dus tijdens zijn wintersportvakantie reageert. Promotor Bollerey schrijft die dag aan een collega dat zij en anderen ‘het voornemen hebben vanwege lastercampagnes juridische stappen te ondernemen tegen Ivan Nevzgodin.’ De klokkenluiders moeten zwijgen. De zaak lijkt gesloten.

Pas als de rector van de Russische academie, Alexander Starikov, een brief aan de Delftse rector stuurt, op 22 februari 2008, komt de universiteit in actie. Starikov noemt in de brief de namen van drie onderzoekers die de promovenda in haar proefschrift zou hebben geplagieerd, onder wie hij zelf. Hij dringt aan op een onderzoek naar plagiaat.

Een officiële klacht. Van een andere universiteit. Het college van bestuur kan er dan niet meer onderuit. Een onderzoek door de integriteitscommissie is onontkoombaar. Het is de eerste klacht ooit die de Delftse integriteitscommissie behandelt.

Op sommige universiteiten beoordeelt de integriteitscommissie alle integriteitsvragen. Ook de kleine, en die in een pril stadium. Had Delft de integriteitscommissie niet al moeten inschakelen toen de eerste waarschuwingen binnen kwamen? “Dat is wel iets waarnaar we moeten kijken in de toekomst”, zegt Van den Hoven nu.

Als zijn commissie begin 2008 aan de slag gaat, moet nog één probleem worden opgelost. De formele klager is ver weg en spreekt geen Engels. De Russische rector draagt Ivan Nevzgodin aan als zijn vertegenwoordiger. Rector Fokkema gaat daarmee akkoord en maakt van de klokkenluider de klager.

Het onderzoek

De integriteitscommissie laat om te beginnen tien gewraakte passages uit het Russisch vertalen in het Engels – om ze te kunnen vergelijken met het proefschrift. Daarbij komen overeenkomsten aan het licht. En een opvallende fout. In een originele tekst schrijft de auteur ‘verhoogde huizen’, waar volgens de commissie ‘huizen met verhoogd comfort’ bedoeld wordt. De promovenda heeft deze verschrijving ‘klakkeloos’ overgenomen als ‘residential houses of “raised” type’.

Als de commissie de promovenda in juni 2008 ondervraagt, toont ze zich weinig schuldbewust. Ze heeft niet steeds naar bronnen verwezen, nee. Het proefschrift zou dan onleesbaar worden. Daarom staan bronnen wel in de literatuurlijst, maar bevat niet elke passage een voetnoot. Bij historisch onderzoek is dat gebruikelijk, zegt ze. Ze voert aan dat ze dezelfde bronnen heeft gebruikt als de klagende onderzoekers. Die oorspronkelijke bronnen, zegt ze, zijn verloren gegaan tijdens de grote brand in de afdeling bouwkunde op de TU Delft, in het voorjaar van 2008. Ze krijgt extra tijd om de oorspronkelijke bronnen te achterhalen.

Haar handelen, zegt ze, wordt volledig gedekt door haar promotoren Bollerey en Macel. Ook als de commissie haar confronteert met de overschrijffout, antwoordt ze dat ze heeft gehandeld ‘met instemming van haar supervisors’. Macel bevestigt dat. Bollerey ook, als ze er door de commissie naar wordt gevraagd in juli 2008: ‘Het is zeker niet gebruikelijk om steeds een noot op te nemen’, zegt Bollerey over de mores bij bouwhistorisch onderzoek. De fout met het ‘verhoogde huis’ is in haar ogen niet ernstig.

De integriteitscommissie roept in juli 2008 de hulp in van een deskundige van buiten de universiteit, de Maastrichtse hoogleraar en erfgoedexpert Marieke Kuipers. Ze is lid van de promotiecommissie van de Russische. Ook Kuipers relativeert het vergrijp. De promovenda had haar bronnen ‘op enkele plaatsen nauwlettender kunnen’ vermelden, maar kwam ‘voor een groot deel tegemoet aan de gebruikelijke norm’. Ook zegt ze over bronvermelding: ‘Bij de ene universiteit/faculteit worden soms andere regels gehanteerd dan bij de andere.’ Met dat laatste is Van den Hoven het pertinent niet eens: “Dat is misschien in de praktijk zo, maar het zou zeker niet zo moeten zijn. De regels voor bronvermelding zijn overal hetzelfde.”

Twee maanden nadat Kuipers door de commissie wordt benaderd wordt ze hoogleraar in Delft; dat betekent dat ze op het moment van haar advies daar al in gesprek over moet zijn geweest. Van den Hoven reageert verrast: “Dat had ze moeten melden. Als ik het had geweten, hadden we haar niet gevraagd,” Kuipers zegt: “Intern of extern is voor mij geen kwestie, omdat de kring deskundigen toch heel klein is.”

Van den Hoven roept uiteindelijk in de zomer van 2008 het advies in van de Groningse hoogleraar Taverne. Die staat geheel buiten de zaak en stelt vast dat de Russische in zeker vijf passages plagiaat heeft gepleegd. De oorspronkelijke bronnen die ze zou achterhalen, achterhaalt ze niet.

Het oordeel

In december 2008 hakt de commissie de knoop door. Plagiaat dus. Het universiteitsbestuur vindt dat ook en beslist dat de promovenda bij het proefschrift een addendum moet maken, waarin op vijf plekken de bron alsnog moet worden genoemd. Haar doctorstitel mag ze houden. ‘Het proefschrift wordt niet inhoudelijk aangetast en blijft een zelfstandige proeve van bekwaamheid’, schrijft de commissie.

De promovenda gaat niet in beroep. “Ik was net in therapie. Ik had niet het idee dat ik tegen het systeem kon opboksen.” Haar conclusie van deze affaire is: als je maar graag genoeg plagiaat in een historisch proefschrift wil ontdekken, lukt je dat.

De kampen zijn nog altijd verdeeld. De klagers zijn tevreden. Rector Starikov mailt dat het hem ging om erkenning dat ‘ons werk zonder vermelding gebruikt was’. Hij zegt niet uit te zijn geweest op het straffen van de promovenda: ‘God zal over haar oordelen.’

NWO-voorzitter Jos Engelen zei vorige week in deze krant: “Een promovendus die plagieert, kan niet meer promoveren. Dan promoveer je op plagiaat.” Bij die opvatting kan Van den Hoven zich wat voorstellen: “Als je kijkt naar de habitus van de promovendus, dan hoort plagiaat daar niet bij. Met de huidige discussie over wetenschapsfraude is het tijd om eens een lijn te trekken. Misschien dat we nu wel zouden hebben besloten een voorbeeld te stellen.” Een woordvoerder van de universiteit: “Een dissertatie mag zeker geen plagiaat bevatten, zoveel is duidelijk.” Maar de “aard, ernst en omvang bepalen de sanctie”. Delft begint dit jaar een integriteitscursus voor promovendi.

De decaan, de promotoren en de promovenda houden vol dat van plagiaat geen sprake is geweest. Plagiaat, zegt Macel, “is het bewust pronken met andermans veren om er beter van te worden”. Wat hier gebeurde noemt hij liever een “slordig randverschijnsel”. Marieke Kuipers: “De kwestie is dat enkele geleerden zich gepasseerd voelden omdat ze niet als bron zijn vermeld.”

Ook voormalig decaan Patijn, die hier niet op de zaak wil reageren, blijft sceptisch. Anderhalf jaar na het vaststellen van plagiaat door de universiteit, schrijft hij in een brief aan de dan gepensioneerde Molema, dat diens zorgen over plagiaat, in ‘geen enkele verhouding stonden tot het mediaspektakel dat er losbarstte na jouw actie in het zoeken van publiciteit’. Hij verwijt de klokkenluider ‘gebrek aan loyaliteit als collega naar mevrouw Budantseva’ en ‘gebrek aan loyaliteit tegenover de TU Delft’.

Patijn schrijft dan dat ‘een welgemeend excuus aan mevrouw Budantseva en mij’ op zijn plaats is.

Brieven over plagiaat en andere vormen van wetenschapsfraude staan op pagina 6.