De protocrimineel kickt op geluidsterreur

Overlast wordt eerder veroorzaakt door het ‘nieuwe’ motorrijden dan door motorclubs,

betoogt August Hans den Boef.

Jeanine Hennis-Plasschaert behoort tot het kleine, denkende deel van de VVD-Tweede Kamerfractie. Ze is bovendien niet bang en nam het dan ook aan tafel bij Pauw & Witteman op 30 januari op tegen de vervaarlijke Satudarah-voorzitter Henk Kuiper, die bezwaar had tegen een hardere aanpak van motorclubs door de overheid. Helder en onbekommerd legde ze de motorduivel uit dat de overheid een eind wil maken aan de verwevenheid van onder- en bovenwereld, waarbij zijn club niets hoeft te vrezen mits die zich distantieert van leden die de wet hebben overtreden en plechtig verklaart zulke activiteiten niet te faciliteren.

Hennis pleitte voor dovemansoren, maar vreemd genoeg gaf ze zelf indirect aan waarom, toen zij een empathisch register opentrok: „Ik toer ook graag met de motor.” Een dynamische liberale politicus rijdt natuurlijk motor, het symbool voor individuele vrijheid die door lullige regeltjes wordt bedreigd.

Vorig najaar, ’s morgens vroeg, was reporter Joris van de Kerkhof voor Radio 1 bij een Hennis-achtige dame op bezoek. Een Brabantse advocate die met haar echtgenoot de hele woning in het kader van Harley-Davidson heeft ingericht. Ze zet een van hun motoren aan in haar garage: „Lekker, zo’n geluid, ’s morgens vroeg. Maar ik geloof niet dat de buren hier blij mee zijn, hihi.” Deze attitude is typerend voor veel motorrijders: het bewust overschrijden van grenzen.

Het sleutelwoord voor de ‘nieuwe’ motorrijder is ‘vrijheid’. Een geheel ander type vrijheid dan dat wat volgens John Stuart Mill beperkt wordt door de omgeving, „de vrijheid om met mijn armen te zwaaien eindigt waar ik een ander in zijn gezicht dreig te slaan.”

Men ziet in ons mooie land vaak middelbare baasjes groepsgewijs – ‘roaring individualism’ noemen Amerikanen dat – langs pruttelen op hun Harley-Davidson. Het kan zijn dat deze motorclubs hier voortaan evenals in het buitenland als criminele organisaties moeten worden gekwalificeerd. Maar ik heb minder last van deze ostentatieve Bürgerschrecks, dan van de tienduizenden ‘nieuwe’ motorrijders die de hele zomer en in de mooie dagen daarvoor en daarna van ’s morgens vroeg tot diep in de nacht met hun lawaai de wijde omgeving terroriseren. Inderdaad een variant van het slaan in onze gezichten.

We moeten wel een onderscheid maken tussen legaal, illegaal en rijstijlgevoelig lawaai. Legaal lawaai komt van voertuigen die nieuw van de dealer al motorlawaai maken. In het Volkskrant Magazine van 25 juni 2011 bespreekt Theo Stielstra de Yamaha X16 ABS, een 600 cc nakedsport-tourmodel. De motor huilt in het hoge toerental. Vol bewondering spreekt Stielstra over een „trommelvliesscheurend” lawaai, maar de kracht van de motor is ook bij een lager toerental „meer dan genoeg om niet door hitsige Golfjes GTI bij een verkeerslicht voor gek te worden gezet. En daar gaat het maar om.”

Opvoeren is altijd illegaal, zeker wanneer snelheidsbegrenzers en filters worden verwijderd. Bij motoren wordt vaak de geluiddemper vervangen door een dragpipe. Die geeft een lekker geluid bij het optrekken. Een door Lucette ter Borg in NRC Handelsblad geïnterviewde dame creëerde een vergelijkbaar geluid door haar kapotte uitlaat niet te laten repareren. Ter Borg zelf vertelde over de bevelen van haar rij-instructeur dat op de snelweg het ‘defensief motorrijden’ vooral bestond uit het vrijwel consequent overschrijden van de maximumsnelheid: „Waarom ga je nou achter dat blik hangen?! (…) Gassen, gassen! Geef die motor op zijn donder, anders ga je op je plaat!”

Hier komen we, net als bij Stielstra, bij de derde categorie: rijstijlgevoelig lawaai. Naar eigen zeggen heeft het fenomeen ‘nieuwe’ motorrijders een hekel aan brede rechte wegen en scheurt daarom liever over smalle en bochtige asfaltweggetjes. Populair zijn dijken, maar ook de glooiende natuurgebieden. Daar kunnen zij schakelen dat het een lieve lust is.

Op rechte wegen compenseren zij het gebrek aan schakelmogelijkheden via het frequent inhalen. Iedereen kent dat gillende, hortende geluid van een hard optrekkende, schakelende motor die later op dezelfde manier weer terugschakelt naar een lagere versnelling.

Maar het gaat hierbij niet alleen om het structureel overschrijden van regels voor geluidshinder en verkeersgedrag. Wie structureel andere weggebruikers in gevaar brengt, begaat volgens de Amerikaanse rechtsgeleerde Ronald Dworkin ‘deliberate harm’ (Justice for Hedgehogs, 2011). Voor een bovenwereld die overgaat in de onderwereld hebben we dus geen Angels of Satudarahs nodig.

Niet toevallig constateerde de socioloog Bas van Stokkom in Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing (2011) dat ook onze hoogopgeleide en meer welvarende burgers zich aan dit ongewenste gedrag schuldig maken. De groeimarkt van de hinderlijke motorrijders bestaat dan ook niet uit randfiguren en criminelen, maar uit nerds en mutsen die uit hun dak willen. Volgens de motordealers vooral heren en dames met een midlifecrisis, die bewijzen dat zij niet saai, maar juist heel erg cool zijn.

Volgens Boutelliers De veiligheidsutopie (2002) is er sprake van een vitalistische cultuur, die gekenmerkt wordt door cool en stoer gedrag. Bovendien wijst hij er in zijn boek Fataal vitaal: de criminologie van een vloeibare samenleving (2006) op dat er een protocriminele cultuur is ontstaan: mensen zijn ontvankelijk geworden – en vaak obsessief – voor de kick van normoverschrijdingen. De beleving van normoverschrijdend gedrag is daarbij dus een doel op zich.

Men heeft een podium nodig om dat wangedrag publiekelijk te etaleren. Gangbare normen worden opzichtig genegeerd. Negatieve reacties worden vaak als applaus ervaren. Motorrijden speelt zich af in wat men wel de vrijetijdsarena noemt, inderdaad een strijdperk voor krijgers. Wie motorfora op het internet bekijkt, verbaast zich behalve over de zelfs voor dit genre abominabele spelling over de schaamteloosheid waarmee van misdragingen wordt gerept. Bij al de voorbeelden van ‘een zandverstuivinkje pikken’ en ‘tegen de 230 aan tikken’ voelt de lezer zich als een bezorgde ouder die per ongeluk op een harde kinderpornosite is beland.

Het was het voorjaar, de tijd dat de politie in heel ons land extra alert is op motormuizen die zich na de winterstop gedragen als ‘dansende koeien in de wei’. Een motorrijder haalde op een N-weg in Enter 176 kilometer per uur voor hij werd gepakt. Ene Raymond tikte: „Uit betrouwbare bron weet ik dat 200+ hier ook wel kan.” Op 11 april 2011 vloog een motorrijder in Doesburg een controleteam van de politie voorbij met 137 kilometer waar 60 was toegestaan. Hij raakte zijn rijbewijs kwijt, tot groot misbaar van de reaguurders. „Motorrijders letten beter op in het verkeer dan automobilisten!!” „Omdat een motor nou eenmaal snel is worden er ook wat hogere snelheden geklokt. Ja dat is nou eenmaal zo. Als motorrijder wil je ook af en toe even lekker het gas open doen.” Een andere reaguurder: „De meeste maximumsnelheden zijn ons opgedrongen, vrijwel iedereen vindt ze op veel plaatsen onredelijk laag, en niemand is iets gevraagd.”

Opvallend vaak blijkt dit ultraracen een competitie met de politie. Confrontaties zijn contests of honor. De ultieme kick is die geüniformeerde rivalen voor te blijven, ook al wordt men een paar uur later thuis gepakt en van een fikse boete voorzien.

Daarom had Hennis-Plasschaert bij Pauw & Witteman moeten verklaren: „Ik toerde vroeger ook graag met de motor. Maar andere motorrijders beginnen het voor mij wel te verpesten.” Zoals de bonafide voetballiefhebber zich al decennia probeert te onderscheiden van de hooligan.

Maar een politicus kijkt wel uit, zolang de motor het imago heeft van viriel en stout. Dealen en afpersen mag niet, maar andere mensen hinderen met geluidsterreur en hen zelfs in gevaar brengen, dat is kennelijk een heel ander verhaal.

August Hans den Boef is essayist en publicist. Hij schreef onder meer het boek [Haat] als deugd. Kritische notities over taal, politiek en religie.