BRIEVEN OVER FRAUDE

XX xxxxxx

Xxxxx

Plagiaat

Met betrekking tot wetenschappelijke fraude zijn er drie ‘hoofdzonden’ : het verzinnen van gegevens, het falsifiëren of selectief weglaten van gegevens en plagiaat. Plagiaat is het zich ten onrechte toe-eigenen van andermans formuleringen, gedachten, ideeën of onderzoeksgegevens. Omdat het ook om gepikte ideeën, gedachten en onderzoeksplannen gaat is het morele begrip plagiaat breder dan het juridische begrip plagiaat, dat zich beperkt tot gepubliceerde teksten.

Uit statistieken blijkt dat plagiaat de meest voorkomende vorm van wetenschappelijk wangedrag is. Tegelijkertijd is het de minst ernstige vorm. Immers de integriteit van het onderzoek en de rapportage zelf lijkt niet te worden aangetast, en het hoeft dus het vertrouwen in de wetenschap niet te schaden.

Toch is plagiëren wel degelijk een schending van de wetenschappelijke ethos, schadelijk voor de wetenschap. Ten eerste betreft dat individuele onderzoekers. Zij willen, naast de intrinsieke bevrediging van het onderzoek, toch ook erkenning door vakgenoten. Als die uitblijft of ten onrechte naar een ander gaat, is dat demotiverend. Ten tweede is het slecht voor het academische systeem, dat inmiddels zo complex en onoverzichtelijk is geworden dat er geen goede beslissingen (aanstelling, promotie, prijzen, subsidietoekenning) meer genomen kunnen worden zonder objectieve en eerlijke prestatiematen. Als die maten (bv citatie-indices) niet langer vertrouwd kunnen worden, valt een belangrijke pijler onder het academische beoordelingssysteem weg. Ten derde is het schadelijk voor het wetenschappelijk onderzoek zelf. Openheid en discussie over opzet en interpretaties van onderzoek zijn essentieel voor de vooruitgang van de wetenschap. En als de onderzoekers terughoudend zijn of zelfs weigeren open te communiceren uit vrees dat hun ideeën door anderen worden gepikt, zal dat de kwaliteit van het onderzoek bepaald nadelig beïnvloeden.

Prof. Pieter J. D. Drenth

Voormalig President van de KNAW, en voorzitter ESF-werkgroep ‘A European Code of Conduct for Research Integrity’.

Plagiaat (2)

Inderdaad lijkt plagiaat naar verhouding de vorm van wetenschappelijk bedrog die het makkelijkst is vast te stellen. Dat je daarvoor maar ‘gewoon’ twee teksten hoeft te vergelijken en te kijken naar de eventuele overeenkomsten, zoals vertrouwenspersoon Hol van de Universiteit Utrecht stelt (Wetenschapsbijlage 14 januari) is naar mijn ervaring een iets te simpele voorstelling van zaken. Het probleem ligt hier vooral in het traceren van de brontekst. En dat is niet altijd zo simpel.

In de dertig jaar dat ik aan de universiteit verbonden ben geweest heb ik vele tientallen scripties begeleid en ben ik bij de totstandkoming van tal van proefschriften betrokken geweest. Toch heb ikzelf maar één flagrant geval van plagiaat bij een scriptie geconstateerd. Ik heb dat gemeld bij de faculteit, die daar helemaal niet blij mee was! Het gaf allemaal maar gedoe, er was geen protocol voor, het zou het afstuderen van de student maar vertragen, hetgeen de faculteit eventueel een malus zou kunnen opleveren. Uiteindelijke sanctie was dat de student een trimester geen tentamens mocht afleggen!

Ik kwam het plagiaat op het spoor doordat de student, die ik als zeer middelmatig kende, een scriptie afleverde die qua inhoud en stijl haar gemiddelde prestatieniveau verre te boven ging. Dit deed zich voor in de jaren negentig van de vorige eeuw, een tijd waarin studenten voor het eerst gingen surfen op internet om te zien wat voor het schrijven van hun scriptie van hun gading zou kunnen zijn. De student had er waarschijnlijk niet op gerekend dat ik hetzelfde zou doen en zo kon vaststellen dat een reeds elders afgestudeerde zijn scriptie op het internet te koop aanbood! Het was voor onze student verder een kwestie van copy and paste! En daarna voor mij een kwestie van vergelijken!

Dit soort dingen gebeurt natuurlijk vaker en de pakkans is klein, juist en vooral omdat het afzoeken van het internet een tijdrovende aangelegenheid is. Daar ligt het echte knelpunt!

In mijn tijd waren er nog vele opleidingen waarin aan wetenschappelijke ethiek, wetenschapsleer en/of methodologie nauwelijks tot geen expliciete aandacht werd besteed. Of dat nog zo is, durf ik niet te zeggen.

Dr. A.J. van Essen

Oud-hoogleraar Toegepaste Taalwetenschap en Alfa-didactiek, Rijksuniversiteit Groningen.

Jos Engelen

‘Baanbrekend en belangwekkend onderzoek.’ Daar deelt NWO het geld voor uit, volgens het artikel ‘Fraude is zaak universiteiten’ (Wetenschapsbijlage 4 februari). Om in de alliteratie te blijven, een beetje bescheidenheid kan geen kwaad. De uitspraken van natuurkundige Engelen zijn van een kritiekloosheid over het functioneren van de eigen organisatie en de gang van zaken bij het wetenschappelijk onderzoek die bij een wetenschapper niet past.

Niemand weet hoeveel er gefraudeerd wordt, omdat het niet onderzocht is. Engelen meent dat het aantal zaken dat de afgelopen zeven jaar bekend is geworden laag is. Maar niemand weet of dit de hele ijsberg is of alleen het topje.

Er wordt in onderzoeksgroepen vaak gediscussieerd over het onderzoeksdesign, de meetmethoden of de interpretatie van resultaten. Maar of er daadwerkelijk gecontroleerd wordt op fraude met data of analyses, zou ik niet weten. Ik ben het weinig tegengekomen. En in de wetenschap zijn er wel degelijk prikkels om bepaalde resultaten te laten zien. Positieve resultaten worden makkelijker gepubliceerd en bieden meer mogelijkheid voor vervolgonderzoek, bijvoorbeeld implementatieonderzoek. De wetenschappelijk onderzoekers die het feitelijke onderzoek doen zijn vaak mensen op tijdelijke contracten. Zie daar de prikkel. Dat wil niet zeggen dat er iedereen fraudeert, maar om te zeggen dat de NWO-onderzoekers 100 procent betrouwbaar zijn getuigt van wereldvreemdheid. Sterker, als NWO alleen ‘excellente’ onderzoekers selecteert, alleen voor ‘baanbrekend’ onderzoek, en als NWO dat vooral doet op basis van het aantal publicaties, dan is de kans groot dat NWO naar verhouding veel fraudeurs aantrekt.

Wat helpt tegen fraude is regels over opslag en toegankelijkheid van data en data-analyses, en taf en toe daadwerkelijk controleren of er geen data verzonnen of veranderd, of analyses verdraaid zijn. Wat ook helpt is aandacht voor wetenschappelijke integriteit in de opleiding en in de beroepspraktijk. Dat wil zeggen liefde voor de waarheid en waardering voor alle wetenschappelijke resultaten, of ze nu een hypothese bevestigen of verwerpen; ook het niet baanbrekende onderzoek kan uitstekend onderzoek zijn.

Misschien is het goed als in de top van NWO iemand meedraait die wat meer feeling heeft voor de dagelijkse gang van zaken bij onderzoek; Diederik Stapel zou alvast een gastcollege kunnen geven.

Inge Varekamp

voormalig NWO-onderzoeker, Amsterdam

Jos Engelen (2)

Ik heb het interview met Jos Engelen met stijgende verbazing gelezen. Wetenschappers zouden elkaar goed controleren en op die controle kun je vertrouwen. Het feit dat de hooggeleerde Stapel vele artikelen publiceerde in hoogstaande bladen en 2,2 miljoen subsidie van NWO ontving, doet vermoeden dat zijn werk door ‘peer reviewers’ als excellent werd beoordeeld. Stapel werd niet ontmaskerd door zijn collega's, maar door zijn promovendi.

Hoe kun je beweren dat excellente onderzoekers 100 procent betrouwbaar zijn als zojuist proefondervindelijk is gebleken dat dit niet zo is? Een dergelijke reken- en beoordelingsfout verwacht je bij een eminent natuurkundige niet. Engelen zou er goed aan doen terug te treden als voorzitter van NWO.

Martijn Breuning

Oegstgeest

Jos Engelen (3)

In het interview doet Jos Engelen enige kritische opmerkingen van de journalisten opvallend vaak af met de reactie “Ik neem aan ….” Afgezien dat dit weinig wetenschappelijk is (niet iets aannemen, maar juist onderzoeken), geeft dit m.i. heel duidelijk aan dat het systeem van subsidietoekenning niet echt gedegen in elkaar zit. Net als bij accountants en (financiële) toezichthouders wordt ook in de wetenschap te veel aangenomen en komt men er te laat achter dat de aannames niet juist waren en de werkelijkheid toch anders is. Daarnaast valt wellicht ook wat aan te merken aan de toekenningscriteria van de subsidies. Engelen typeert de excellente onderzoeker, aan wie NWO subsidie toekent, als een onderzoeker die veel publiceert en die gesteund wordt door een veel publicerende opleider. Hij wekt minimaal de indruk dat NWO voornamelijk kijkt naar kwantiteit en niet naar kwaliteit. In de wetenschap dient het echter te gaan om de waarde van het onderzoek en niet om het aantal publicaties en niet om de bekendheid van eventuele opleiders en hoogleraren. Het toekennen van subsidies op basis van aantallen publicaties werkt knoeiwerk in de hand en is eigenlijk een perverse prikkel om maar meer subsidies binnen te slepen. Prikkels die wij ook al te veel hebben gezien in de financiële sector. Het doel wordt dan het snel en veel produceren van publicaties en minder het doen van grondig wetenschappelijk onderzoek. NWO (en dus de politiek) zou er beter aan doen het kwaliteitscriterium als hoogste criterium te hanteren..

P.A.H.J. Huibers

Bunschoten

Significantiejacht (2)

Onder de titel ‘Significantiejacht’ (Wetenschapsbijlage 28 januari) schrijft dr. J.H.L. Oud in een brief dingen die helemaal niet kloppen. Stel dat iemand uit een theorie over het menselijk gedrag een hypothese afleidt. Vervolgens wordt die hypothese getoetst met een proef- en een controlegroep. Er wordt een voormeting gedaan, en een nameting. Verondersteld wordt dat het verschil tussen voor- en nameting in de proefgroep significant afwijkt van die in de controlegroep. Dit blijkt inderdaad het geval. Moet deze hypothese worden verworpen als nog andere metingen worden verricht? Of, uitbreidende: stel dat de onderzoeker die meting heeft verricht in het kader van een enquête, waarin naast de doelvraag nog 99 of meer andere vragen worden gesteld, is de conclusie dan bij een significant verschil dan misschien ongeldig. Of nog sterker: er zouden ook nog 99 of meer andere vragen kunnen zijn gesteld, die nu niet in de vragenlijst zijn opgenomen? Moeten we met dit in principe mogelijk oneindige aantal hypothetische vragen rekening houden? Betekent een op 5 procent na significant verschil in de antwoorden op één vraag niet dat er ook nog een verschil is in antwoorden op op allerlei andere vragen? Omdat die andere vragen (deels) hetzelfde meten als de doelvraag? Met andere woorden, gaat het bij 100 vragen eigenlijk wel om 248 significante verschillen, zoals de heer Oud zegt? Wat ontbreekt in zijn redenering is dat daarin kennelijk geen hypothese is gesteld, en die moet er altijd wel zijn.

Prof. dr. H. ’t Hart

emeritus-hoogleraar methodenleer en statistiek, Utrecht

Reageren? Stuur een mail naarwetenschapsfraude@nrc.nl

    • Prof. Pieter J. D. Drenth
    • Inge Varekamp
    • Martijn Breuning
    • P.A.H.J. Huibers
    • Dr. A.J. van Essen
    • Xxxxx
    • Prof. dr. H. ’t Hart