BRIEVEN

Boycot Elsevier (2)

Elsevier verdedigt zich tegen de boycot van wetenschappers met het argument dat hun keuze tot verschraling kan leiden. Wat zou er kunnen verschralen?

De inhoud van de tijdschriften kan het niet zijn. Open access uitgevers als Public Libarary of Science en BioMedCentral onderwerpen de artikelen aan een minstens zo rigoureuze kwaliteitscontrole als Elsevier. Ook op het punt van de verrijking met data en audiovisuele middelen doen deze uitgevers niet voor Elsevier onder. Het enige verschil betreft het onderliggende businessmodel.

Elsevier verlangt exclusieve overdracht van auteursrechten in ruil voor publicatie. Bibliotheken tekenen meerjarige contracten voor afname van het hele pakket aan tijdschriften, met een vastgelegde prijsstijging van 5 procent per jaar en jaarlijks vooruit te betalen. Hergebruik in het onderwijs, op websites, voor interbibliothecair leenverkeer en dergelijke vereist aparte toestemming van de uitgever, die dat slechts mondjesmaat en onder allerlei beperkende bepalingen verleent.

In het open access model wordt de uitgever op artikelbasis betaald voor de toegevoegde waarde die hij levert, dat wil zeggen voor het organiseren van de kwaliteitscontrole (die op zich door wetenschappers wordt uitgevoerd als deel van hun baan) en het opmaken en distribueren van de goedgekeurde artikelen via internet. Google Scholar en andere wetenschappelijke zoekmachines maken vervolgens deze artikelen goed vindbaar. In dit proces vindt geen overdracht van auteursrechten plaats. Kortom, de enige verschraling die het open access model met zich mee brengt betreft het rendement van Elsevier

Leo Waaijers

Rotterdam

Boycot Elsevier (3)

De wetenschappers spreken hun zorg uit over de toegankelijkheid van informatie voor ontwikkelingslanden. In 2010 sloot Elsevier met het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) een overeenkomst voor vijf jaar. Met deze overeenkomst is het KIT in staat gesteld ontwikkelingslanden gratis toegang te verlenen tot miljoenen actuele wetenschappelijke artikelen van Elsevier, inclusief de gerenommeerde tijdschriften zoals The Lancet. Dankzij deze overeenkomst kunnen 150 kennisinstellingen in de minst en minder ontwikkelde landen gratis toegang krijgen tot informatie over o.a. gezondheid, de behandeling en preventie van (tropische) ziekten, landbouw, voedselproductie, voedselzekerheid, duurzame economie. Deze overeenkomst is door vele kennisinstellingen in Afrika beschreven als een onmisbare bron die bijdraagt om de informatiekloof tussen noord en zuid te overbruggen. KIT en Elsevier zijn beide partners in Research4Life, een serie programma’s die instellingen in ontwikkelingslanden gratis of voor een lage prijs toegang biedt tot wetenschappelijke informatie. Hiermee wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van wetenschap in die landen.

Hans van Hartevelt

Directeur KIT Information & Library Services

Watersnoodramp

In het artikel ‘De Zeeuwse dijken werden opgetild’ (Wetenschapspagina, 3 februari 2012) wordt gesteld dat de overstromingsramp van 1953 het gevolg was van een combinatie van noordwesterstorm en springvloed. Dit is een hardnekkige mythe. Het steeds weer herhaalde verhaal is namelijk onjuist: de springvloed van die nacht was namelijk uitzonderlijk laag. De hoogste waterstand zou die nacht (zonder de storm) zelfs nog iets lager geweest zijn dan die van een gemiddelde vloed.

De echte oorzaak was gelegen in de timing: het tijdstip van de grootste opstuwing van het zeewater door de storm viel in het kwetsbare Zeeland vrijwel samen met dat van hoogwater. Als de storm 6 uur vroeger of later was gepasseerd, dan waren de gevolgen minder desastreus geweest.

Dr. G.P. Können,

Hoofd Klimaatanalyse KNMI (gepensioneerd)

Watersnoodramp (2)

Hierbij een aanvulling op het artikel over de dijken. Ondergetekende was in 1955, dus kort na de ramp, een van de eerste afstudeerders in de richting gezondheidstechniek aan de TH Delft. Hoogleraar was de internationaal goed aangeschreven professor Krul die tevens directeur was van het Rijks Instituut voor Drinkwatervoorziening. Een onderdeel van die studie was de geohydrologie, kort gezegd het vóórkomen en het gedrag van water in de ondergrond. We onderzochten de stroming in een dijklichaam tijdens de ramp van 1953. Tussen twee doorzichtige platen was een dijklichaam nagebootst, met aan de ene kant de polder en aan de andere kant de rivier. In dit geval de Westerschelde bij Kruiningen. In het model was duidelijk te zien hoe de grondwaterspiegel binnen in de dijk zich gedroeg tijdens de beweging van eb en vloed. Met enige vertraging was bij buitendijkse vloed het waterpeil binnen in de dijk hoger dan gemiddeld en lager bij eb.

Tijdens de modelproef werd na een normale periode van eb en vloed ook de situatie van 1953 nagebootst. Waargenomen werd dat het water binnen in de dijk ook in die situatie de beweging van het buitenwater volgde. Toen na de vloed geen eb kwam maar wel een extra vloed klom ook het water met enige vertraging binnen in de dijk tot abnormale hoogte. Daar was de landzijde van de dijk niet tegen bestand. Ook bij een later optredende eb was de druk binnen te hoog en bezweek de dijk aan de binnenzijde.

Het is aannemelijk dat professor Krul ons dit onderzoek liet doen in de wetenschap dat dit verschijnsel zich had voorgedaan. In de jaren daarna heb ik vaak onbegrip ontmoet voor onze bevindingen.

Ir T. Verheul,

Den Haag