Ze zijn allemaal zo dol op me

In een onregelmatig verschijnende rubriek over bestsellers deze week een roman van Nico Dijkshoorn over zijn vader, ‘vast fijner als romanfiguur’.

Soms is het eenvoudig om een bestseller te voorspellen. Wanneer bijvoorbeeld de ‘huisdichter’ van het belangrijkste culturele televisieprogramma van het land een boek schrijft over de aftakeling van zijn ouders en hij geëmotioneerd in de uitzending verklaart dat hij ‘niet verder kon’ met zijn schrijverschap zonder dit zeer persoonlijke boek te hebben geschreven. Wat gaat er boven de blanke pit van een ruwe bolster? Zo kwam Nooit ziek geweest van Nico Dijkshoorn binnen op vier in de Bestseller 60. Het boek zelf is dan verder bijzaak. Toch?

Nooit ziek geweest begint volgens het sjabloon van de aftakelende-ouderroman, in het verzorgingstehuis: ‘Ik zit naast mijn vader. Hij huilt. Ik lees een tijdschrift.’ Op de tweede pagina plast de oude man in zijn broek. Dan begint hoofdstuk twee, wat begint met de geboorte van Nico Dijkshoorn, de verteller. Die zegt Klaas, zijn vader, eigenlijk nooit goed gekend te hebben.

Om toch iets te vertellen over zijn vader (en over zijn moeder Nel) gaat Dijkshoorn zijn herinneringen langs: Klaas was een joviale, altijd om aandacht vragende man: een honkballer die het maar niets vond dat zijn oudste zoon slecht honkbalt, maar ook nog boeken leest en naar de lerarenopleiding gaat. Klaas is een echte Amsterdammer (automonteur, later scharrelaar in antiek) die veel vloekt en van dollen houdt. Hij verzet de wekker van zijn zoon zodat deze in totale paniek naar zijn voetbalclub gaat, en daar twee uur te vroeg aankomt. Hij vertelt zijn kleinzoon zonder overleg met de ouders dat Sinterklaas niet bestaat. Hij is een groot kind dat altijd opschept en vraagt om aandacht. (‘Ze zijn allemaal dol op me.’)

Dijkshoorn vertelt het gedetailleerd, met veel gevoel voor het ongemak van een zoon in het bijzijn van een dominante vader. Hij spaart de vader niet, maar toch ga je Klaas – een klootzak in veel opzichten – per anekdote meer in je hart sluiten. Bijvoorbeeld wanneer hij op vakantie in Noord-Frankrijk met een woeste manoeuvre ineens de auto op de vluchtstrook zet. ‘„Kijk”, zegt hij, „Lille. Hier rijdt iedereen altijd keihard voorbij, maar dan stap ik juist uit. Het is vakantie. Wat zul je je haasten? Moet je kijken, die torens. Dat is Frans. Dat zie je in Nederland toch niet.” ’ En zo gaat het door. Bijna alles wat Klaas zegt is op een bepaalde manier dom, maar Dijkshoorn giet die domheid in prachtige scènes, en toont de tragiek van de man die over zichzelf zegt dat ‘iedereen Klaasie kent’ (terwijl de meesten hem na een minuut zijn vergeten). Nico en zijn vriendin vormen daarbij het truttige tegenwicht.

Klaas is vast fijner als romanfiguur dan als vader. Dijkshoorn portretteert zichzelf als ingetogen en voorzichtig, in het samenzijn met zijn vriendin op het saaie af. In zijn tv-optredens zit veel meer van het gif dat hij ongetwijfeld van zijn vader heeft: het portret van Klaas kun je daar moeilijk los van zien: je leest ook een onderzoek naar Dijkshoorns onbehouwen zelf en dat komt de intensiteit ten goede. Voeg daarbij de spanning die het grillige verloop van de aftakeling van beide ouders oproept, en de conclusie is kraakhelder: de inhoud van Nooit ziek geweest doet er zéker toe.

Nico Dijkshoorn: Nooit ziek geweest. Roman. Contact, 250 blz. €18,95

    • Arjen Fortuin