Ze hebben kleine handjes en die maken alles stuk

Thé Tjong- Khing en Anna Woltz: Nacht in het poppenhuis. Leopold, 32 blz, €13,95

Het Gemeentemuseum Den Haag bezit een van de poppenhuizen die Sara Rothé uit Amsterdam in de 18de eeuw maakte, een pronkpoppenhuis in een wortelnoten kabinet, vol dure, vaak op bestelling gemaakte miniaturen. Dit huis speelt een hoofdrol in Nacht in het poppenhuis, gemaakt bij de tentoonstelling XXSmall in het museum. Die hoef je niet gezien te hebben, je hoeft ook niet eens van poppenhuizen te houden om het verhaal van Anna Woltz te volgen. Sprookjesachtig, spannend ook, en in mooie, puntige zinnen geschreven. Thé Tjong-Khings tekeningen zijn met de kenmerkende rijke kleuren en details een feest, en om meer dan eens te bekijken. En om over te lezen: ‘In de kinderkamer staat een blauwe kakstoel met gouden krullen te stinken’.

In Nacht in het poppenhuis gaat Willemina logeren bij haar tante. Nogal abrupt begint dat avontuur: ‘Wat ben je al groot!’, zegt mama tegen Willemina. ‘Je gaat alleen uit logeren.’ Willemina voelt zich klein, ‘Ik kan niet eens bij de bel. Wel vijf Willemina’s gaan er in één paard.’ Maar: ‘Wat fijn dat je er bent,’ zegt tante Sara, ‘alsof er geen tranen zijn.’

Alsof er geen tranen zijn – betekent dit het negeren van de gevoelens van een kind of wordt hier slim de aandacht afgeleid van verdriet? De tante troont haar snel mee naar haar pronkpoppenhuis, maar geeft meteen bevelen. Pas op. Alleen kijken. ‘Ik weet alles van kinderen. Hun handen zijn klein, maar ze maken zó iets kapot.’

Zo staat Willemina nog te genieten van het feit dat ze ‘een reuzin’ is geworden. ‘Zo voelt het om te groeien!’, schrijft Woltz. ‘Opeens is ze zo groot als een huis! Haar hoofd is in de wolken.’ Het volgende moment heeft ze een porseleinen hondje opgepakt en het ‘zeventien kussen op zijn snuit’ gegeven en geaaid – en staat ze met zijn staartje in haar hand. Woltz schrijft raak over de paniek die Willemina bevangt. Ze stelt haar tante voor: ‘En zullen we straks een wandeling maken? Een hele lange, zodat we pas thuiskomen als het donker is?’

Van een reuzin wordt ze weer het kleine meisje dat niet bij de bel kan. Verloren ligt ze op een tekening van Tjong-Khing in een joekel van een kamer in een zee van een hemelbed, haar piepkleine schoentjes snoezig en fragiel onder een tafel geparkeerd. Maar klein en dapper zal ze vannacht stiekem proberen de staart van het hondje te lijmen. Die nacht heeft een angstaanjagend begin, maar Willemina stijgt ver boven zichzelf uit en alles zal in feest eindigen. Droom of werkelijkheid? Laat het maar werkelijkheid zijn. Het hondje in het poppenhuis heeft de volgende morgen immers een wit verbandje om zijn staart. En: ‘Op de keukentafel staat een piepklein potje lijm.’