Wat moet er van ons overblijven?

Ingmar Heytze is een romanticus op zoek naar een veilige plek. Maar demonisch is zijn nieuwe bundel ook.

In zijn nieuwe bundel Ademhalen onder de maan beschrijft Ingmar Heytze zijn angst voor de dood: de gedachte dat hij met zijn geliefde op weg is naar ‘ons onbestaan, voorgoed verloren / in de donkere archiefkast van de aarde.’ Dat beeld is wel duidelijk. Hij vreest dat er later niets meer zal herinneren aan hem en haar en hun gezamenlijk geluk. ‘Wat moet er van ons overblijven – wat van onze dagen, / nachten, alle malen dat we samen ademhalen en de plannen / die we maken.’ Het is een oude klacht. En het antwoord dat hij geeft, is dat ook. Hij wil een bewijs achterlaten, een boodschap die verder reikt dan hij en zij. Met dit gedicht schrijft hij ‘onze namen in de kerfstok van de tijd’; ‘Wie dit leest / moet weten dat wij samen en gelukkig waren.’

Er zit een wanhopige gedachte achter: het leven duurt maar kort, zeker als je verliefd en gelukkig bent. Heytze weet dat. ‘Bij jou vergeet ik bijna / dat we samen maar één leven krijgen.’ De schrik om dat besef leidt ertoe dat hij zich tijdens zijn ene leven zoveel mogelijk in anderen wil inleven. Dat was altijd al zo, maar in deze bundel is het tot leidraad voor alle gedichten gemaakt. Er is een portret van Joeri Gagarin, de eerste mens in de ruimte, van Tevfik Esenc, de in 1988 overleden laatste spreker van het Oebychs en een gedicht over Jan van Scorel die een portret schildert van zijn Agatha, ‘met je naam vol aah’s om te fluisteren in de nacht.’

Er zit altijd een lieve, onschuldige, vlinderachtige kant aan de poëzie van Heytze. Hij lijkt mij een romanticus die op zoek is naar een veilig onderkomen. Maar onder die zoetige neiging gaat een duistere binnenwereld schuil. Die wordt hier via de methode van de inleving onderzocht, bijvoorbeeld via de bewoners van een psychiatrische inrichting. De vrouw die zeker weet dat ze wordt gebruikt als testpiloot: ‘het contact met de basis is verloren’. De man die ‘als enige ter wereld / begrijpt dat alle bomen antennes zijn / en de blaadjes microfoons.’

Net als Menno Wigman heeft Ingmar Heytze als artist in residence een aantal maanden in de psychiatrische inrichting de Willem Arntz Hoeve in Den Dolder doorgebracht. En net als Wigman voelt Heytze zich verwant met de vreemde, scheve, maar ook dichterlijke manier waarop in het tehuis naar de wereld wordt gekeken. Omgekeerd schuilt er in deze dichters ook iets demonisch. Heytze probeert zich net als Wigman over verschillende levens uit te smeren. En net als bij de 39 gedichten van Wigman valt er weinig overkoepelends over te zeggen, behalve dan dat ik ook de 39 gedichten van Heytze allemaal goed vind. Het portret van de doorgedraaide market maker op de beurs, achter zijn schermen. Het recessiegedicht dat, vanwege de crisis, onvoltooid moet blijven. Een mooi welkomstgedicht voor een pasgeborene: ‘Hier is de wereld, te groot om in te pakken.’

Vormt deze portrettengalerij nu één groot zelfportret? Dat gevoel heb ik niet. De blik is hier niet naar binnen gericht, maar naar buiten. Overal dienen zich beelden aan, en elk beeld kan zomaar uitgroeien tot een beeld van het leven. Als je bijvoorbeeld stilstaat bij de uitdrukking ‘kosten koper’. Of als je even door de wasstraat gaat: het is een donker hol waarin je aan je lot wordt overgelaten, een klein heelal waarin je herschapen wordt. En aan het eind wacht een hergeboorte: ‘een tunnel waar je / stuurloos door rijdt in zijn vrij en als oud licht / uit tevoorschijn komt – stralend.’

Ingmar Heytze: Ademhalen onder de maan. Podium, 52 blz. € 15,-