Voor het laatst onder professoren

Historicus Tony Judt overdenkt in zijn laatste, postume boek de twintigste eeuw.

Historicus

Wat zijn we eigenlijk aan het doen? vraagt Tony Judt zijn collega-historicus Timothy Snyder halverwege de maandenlange conversatie die zal uitmonden in diens laatste boek Denken over de twintigste eeuw. ‘We voeren een lang en serieus gesprek. We zetten de weerslag ervan in een boek. Met wat geluk wordt dat boek gerecenseerd in de betere bladen en als de recensies positief zijn, zullen er wereldwijd misschien een kwart miljoen exemplaren van over de toonbank gaan. Tweehondervijftigduizend mensen, maar daarvan is het merendeel het toch al met ons eens.’

Hoewel weinig historici zich erover zullen beklagen dat ze een kwart miljoen boeken verkopen, heeft Judt wel een beetje gelijk. Van de in augustus 2010 aan een spierziekte overleden Brits-Amerikaanse historicus en essayist zijn de laatste jaren veel titels verschenen: Na de oorlog en De vergeten twintigste eeuw over de recente geschiedenis van Europa, Het land is moe, een pleidooi voor sociaal-democratie, en De geheugenhut, openhartige autobiografische bespiegelingen op het einde van zijn leven.

Is er ruimte voor nog een Judt? Toch wel. Hoewel in Denken over de twintigste eeuw alle bekende thema’s langskomen, is het een origineel en aantrekkelijk boek. Het is vooral een politieke ideeëngeschiedenis van Europa en, belangrijker, het is geschreven in tweespraak met die andere prominente historicus Timothy Snyder, auteur van Bloedlanden: Europa tussen Hitler en Stalin. Snyder nam het initiatief voor dit boek in gespreksvorm eind 2008, kort nadat hij had vernomen dat Judt niet meer in staat zou zijn zelf nog iets te schrijven.

In Denken over de twintigste eeuw worden de verschillende levensfasen van Judt (jeugd in een Joods gezin in Oost-Londen, een opleiding in Cambridge en Parijs, kibboets in Israël, en carrière in Engeland en de Verenigde Staten) gekoppeld aan de grote thema’s van de moderne (Europese) politieke en intellectuele geschiedenis: zionisme, antisemitisme, marxisme, fascisme, Koude Oorlog, Europese integratie, neoconservatisme en sociaal-democratie.

Een gesprek tussen historici is minder dwingend dan een historische analyse. Snyder en vooral Judt leggen een indrukwekkende historische kennis en inzicht aan de dag, maar ze blijven nogal eens steken in halve observaties en onaffe interpretaties. Judt merkt op hoe ‘simpel’ in het Verenigd Koninkrijk in de jaren tachtig de ‘grote verworvenheden van de sociaal-democratische consensus’ (zoals hij de verzorgingsstaat typeert) werden ontrafeld en ondermijnd. Hoezo ‘simpel’? En als het ‘simpel’ was, wat zegt dat over die vermeende verworvenheden, die ‘consensus’ waarnaar Judt zo blijkt terug te verlangen?

Democratie is ‘een noodzakelijk, noch een afdoend instrument voor een goede open samenleving’, meent Judt. Hij blijkt een forse weerzin te koesteren tegen de huidige massa-democratie en haar tendens om middelmatige politieke leiders voort te brengen (zoals hij eerder ook in Het land is moe schreef). Niks mis mee, maar wat is het alternatief? Toch niet die aristocratische, liberale half-democratie van de 19de eeuw? Het wordt wat potsierlijk als Judt het historisch beeld van de Roemeense fascistische intellectueel uit het interbellum Corneliu Codreanu uitgebreid nuanceert (‘...we moeten oppassen met etikettering’), om vervolgens zonder omhaal van woorden te zeggen dat ‘op fascistische leest geschoeide eisen of personen’ het in Nederland op dit moment ‘heel redelijk’ doen.

Denken over de twintigste eeuw is geschiedschrijving, zoals Judt het zelf zo aardig typeert, ‘als een oefening in toegepaste politieke polemiek.’ En hoewel hij zich beklaagt over de schaamteloosheid waarmee de geschiedenis soms wordt gebruikt om hedendaagse politieke overtuigingen te rechtvaardigen, is hij de eerste om toe te geven dat hij zich er zelf ook weleens aan heeft bezondigd.

Judt is overigens net zo kritisch over zijn collega-historici als hij is over de politici en vooral de ‘publieke intellectuelen’ van zijn tijd. Voor iemand die de eerste decennia van zijn carrière vrijwel uitsluitend in de ‘geïsoleerde ivoren torens’ van Cambridge, Oxford en Berkeley doorbracht, is hij opmerkelijk scherp over de ‘bezigheidstherapie’ van historici die niet zoals hijzelf het maatschappelijke debat of het grote publiek zoeken.

Hoewel er dus nogal wat overlappingen zijn met andere publicaties van Judt, bevat Denken over de twintigste eeuw allerlei interessante en inspirerende observaties. Dat kan ook bijna niet anders, als je vooraanstaande en geëngageerde historici van het type Judt en Snyder bij elkaar zet en vrijuit over de recente geschiedenis van Europa laat discussiëren. Een echte discussie is het trouwens niet geworden. Judt voert en Snyder stuurt de conversatie. Van wat in feite een losse combinatie is van biografie, geschiedenis en ethische verhandeling heeft Snyder uiteindelijk een ideeëngeschiedenis van het moderne Europa weten te construeren, goed leesbaar en zonder voetnoten – een geschiedenis die Judt zich eigenlijk had voorgenomen ooit zelf te schrijven.

Tony Judt en Timothy Snyder: Denken over de twintigste eeuw. Vertaald door Wybrand Scheffer. Contact, 479 blz. € 55,-

    • André W. M. Gerrits