Uitgeputte Amerikanen

Toen president George W. Bush in de herfst van 2006 Henry Kissinger op het Witte Huis ontving, herhaalde deze zijn beroemde stelling uit 1969 dat het terughalen van Amerikaanse soldaten uit Vietnam zou neerkomen op „gezouten pinda’s” voeren aan het publiek. Gezouten pinda’s zijn lekker, maar verslavend. Als de bevolking daar eenmaal aan gewend raakte, zou het draagvlak voor de oorlog snel verdwijnen. Niet veel later betoogde Bush in een redevoering dat het onverstandig was geweest dat Amerika zich had teruggetrokken uit Vietnam. Als Amerika de rug recht had gehouden, had dat in Vietnam de levens van „miljoenen onschuldige burgers” kunnen redden. In navolging van Kissinger waarschuwde hij voor herhaling van een dergelijke fout. De les van Vietnam was: Amerika moest doorbijten in Irak.

Volgens de Amsterdamse historicus Beerd Beukenhorst is deze retoriek exemplarisch voor hoe Amerikaanse politici ‘Vietnam’ de voorbije decennia hebben ingezet. De prikkelende stelling die hij opwerpt in zijn gisteren verdedigde proefschrift is dat de Amerikaanse blamage in Vietnam eerder een opzwepend dan een matigend effect heeft gehad op het buitenlands beleid. Om in de toekomst zulke nederlagen te voorkomen, was geen bescheidenheid geboden, zo redeneerde men, maar daadkracht.

Dit beeld werd nog versterkt door een ‘dolkstootlegende’, volgens welke de politieke en bestuurlijke bovenbazen het leger een ‘dolk’ in de rug zouden hebben gestoken door onvoldoende militaire armslag te geven of door te zwichten voor eigenbelang en corruptie. Een populaire tv-serie als The A-Team houdt dit beeld levend: hierin wordt een groepje goed bedoelende commando’s er ingeluisd door de politiek-militaire top. De commando’s besluiten als outlaws verder te gaan om het onrecht in de wereld te bestrijden. De populaire Rambo-films hebben een vergelijkbaar thema. In deel twee, uit 1985, wordt de Vietnam-veteraan John Rambo gevraagd om op undercovermissie te gaan in Cambodja. Voordat hij echter instemt met de missie vraagt Rambo: Do we get to win this time? Zijn commandant antwoordt: This time, it’s up to you. De vorige keer – in Vietnam – was het kennelijk niet up to him. De nederlaag kwam niet door het leger, maar door laffe politici die niet durfden door te pakken.

Beukenhorst beschrijft vervolgens hoe er een zekere persoonsverwisseling plaatshad tussen de door Sylvester Stallone gespeelde spierbundel en Reaganadviseur Oliver North. North was zelf Vietnam-veteraan en liet zich aanspreken met de naam ‘Rambo’. Hij presenteerde zich als outlaw die, in weerwil van de weke bureaucraten in het Pentagon, voortvarend te werk wilde gaan. Het maakte North razend populair bij het grote publiek – er was sprake van een heuse ‘Olliemania’. Dat was tenminste een kerel: als het aan hem had gelegen, had Amerika glansrijk gewonnen tegen de Vietcong.

In zijn column van afgelopen woensdag schrijft H.J.A. Hofland: „de tijd is voorgoed voorbij dat we staten in andere werelddelen konden herinrichten”. Dit moge zo zijn, maar op politiek niveau lijkt dit inzicht bepaald niet breed gedragen. Sterker: niet eerder leefde zo sterk de gedachte dat er mondiale verantwoordelijkheden bestaan en dat ingrijpen geboden is wanneer regimes falen of de bevolking bedreigen. We leven in het tijdperk van het interventionisme – en de verslavende gezouten pinda’s van vandaag zijn morele verontwaardiging en de belofte iets aan onrecht of wanordelijkheden te doen.

Op basis van de Bushdoctrine zijn twee grootscheepse ‘democratiseringsprojecten’ begonnen in Afghanistan en Irak. De interventie in Libië door Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk had als doel een democratie te vestigen in de Noord-Afrikaanse woestijn. Ook de Europese Unie intervenieert: in Griekenland en Italië en andere economisch zwakke landen, met als doel de economische cultuur daar structureel te veranderen. Gisteren lekte bovendien het bericht uit dat Washington de mogelijkheden onderzoekt om te interveniëren in Syrië.

Strikt noodzakelijk? Het aantal burgerslachtoffers dat de regering in Syrië op zijn geweten heeft, wordt geschat op zesduizend – dat is ernstig, maar de vergelijking met de situatie in Rwanda die deze krant gisteren maakte, is grotesk. In Rwanda werden in een periode van honderd dagen zo’n half miljoen mensen vermoord. Of interventie in Syrië ‘humanitair’ zou zijn, is bovendien zeer de vraag. De bombardementen op Libië hebben duizenden burgers gedood, en de burgeroorlog die ontstond kostte vele tienduizenden doden.

De strategische uitdagingen in het Midden-Oosten zijn zonder meer bijzonder complex. Er zijn goede redenen voor het Westen om de as Iran-Syrië-Hezbollah te willen verzwakken door het regime-Assad ten val te brengen. Maar ondertussen dreigt voor Amerika ook een imperial overstretch. Nog altijd achtervolgd door de traumatische Vietnamervaring had het Pentagon in 2011 een budget van 700 miljard dollar; dat is zo’n 2 miljard dollar per dag (weekends meegerekend). Is dit economisch überhaupt vol te houden? Gezouten pinda’s of niet, mondiale verantwoordelijkheid is even verslavend als uitputtend.

    • Thierry Baudet