Terwijl dierenpolitie toekijkt poept de hond op het laminaat

Over vier jaar moeten er vijfhonderd agenten bij de dierenpolitie zijn. De eersten zijn al aan het werk. Wie zijn ze? Wat doen ze? „Hoe laat krijgt die hond te eten?”

Europa, Nederland, Apeldoorn, 06-02-2012, Dierenpolitie, Politieagent Serge Smulders en districtinspecteur Willem Wannyn op hun werkterrein, controleren een erf met schotse hooglanders, paarden ezels oa.in de buurt van Apeldoorn. foto Evelyne Jacq Evelyne Jacq

Het is rond het middaguur, maar de gordijnen van het rijtjeshuis zitten nog dicht. Agent Serge Smulders van het korps Noord- en Oost-Gelderland en inspecteur Willem Wannyn van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming bellen aan. De ruiten op de bovenverdieping zijn beslagen; er moet iemand thuis zijn.

Smulders, agent bij de pas opgerichte dierenpolitie, bezoekt dit adres in Apeldoorn voor de tweede keer. Hij wil weten of het beter gaat met de drie verwaarloosde honden die hier wonen, of de adviezen die hij vier weken geleden gaf, zijn opgevolgd. De grootste van de drie, een uitgemergelde labrador, baart hem de meeste zorgen: „Ik schrok er echt van. Je zag het bot op zijn kop zo zitten.”

De honden slaan aan. Een tengere, oudere vrouw doet open. Haar vest dichtknopend, haren in de war, ruikend naar alcohol. In de gang liggen bierblikjes, de woning stinkt.

Onder de eettafel in de schemerige woonkamer is het nat. De honden hebben geknoeid met water, beweert de vrouw. Maar de districtsinspecteur en de dierenagent weten wel beter; dit is urine. Terwijl de beambten de honden met een zaklampje controleren op vlooien, plast een van de dieren weer over de vloer, dit keer ter hoogte van de salontafel. Aan de opbollende vloer te zien, is dat op die plek al vaker gebeurd. Onder een bijzettafeltje tilt een van de honden een achterpootje op. Zijn drol glijdt zo op het laminaat.

De labrador springt op het bankstel. Het dier is vel over been. Wanneer krijgt hij te eten, wil de inspecteur weten. Om één uur en tegen zessen, zegt de partner van de vrouw. Zij is ondertussen op de bank gaan zitten. Eén uur is veel te laat, vinden Smulders en Wannyn. „U kunt de honden beter ’s morgens voeren. Mensen hebben toch ook energie nodig om de dag door te komen.”

Wat geeft u de dieren? De man haalt een grote zak brokken op uit de keuken. Die heeft hij na het eerste bezoek van de dierenagent gekocht van de dierenarts, voor 55 euro. „En we doen er nog geen maand mee”, moppert de vrouw. Terwijl de man met de zak in zijn handen staat, springen de honden wild tegen hem op, hongerig als ze zijn. De vrouw, een tweede shagje draaiend, wordt steeds bozer van alle vragen: „Ik word hier echt pissig van, alsof ik niet goed voor mijn honden zorg. Ik ben een echte dierenvriend. Deze hond is altijd al mager geweest.”

Voordat het uitloopt op ruzie, nemen de inspecteur en de agent haar partner even apart in de ook al rommelige keuken – op het aanrecht plastic afval, karton, een glas halfvol bier, een verdord kerststukje. Ze laten de honden even de tuin in. De labrador likt over het ijs van de bevroren vijver. „Daar haalt hij waarschijnlijk meestal zijn water vandaan”, zal de inspecteur later zeggen.

De honden zijn nog niet fatsoenlijk uitgelaten, ze hebben niks gegeten, hun teennagels zijn te lang. Of het stel nou last heeft van migraine of de rug, daar mogen de dieren niet onder lijden, menen de agent en de inspecteur. De labrador is wel iets vooruitgegaan, constateert Smulders. Ze vinden dat de man vandaag nog met de honden naar de dierenarts moet. Wannyn en Smulders zullen zelf ook contact met de arts opnemen. Daarna bekijken ze de situatie opnieuw.

Terug bij de auto desinfecteren ze hun handen. Tjonge, wat was het daar vies.

Serge Smulders doet dit werk nu een paar maanden. Hij is een van de vijfhonderd animalcops die de komende vier jaar bij de Nederlandse politie aan de slag gaan. Smulders was jarenlang dierenverzorger in dierenparken. Sinds 2006 werkt hij bij de politie. Als animalcop – een van de vijf in Noord- en Oost-Gelderland – kan hij nu zijn affiniteit voor dieren en het politiewerk combineren. Hij heeft een cursus van zes dagen gevolgd aan de Politieacademie, maar moet nog veel leren, beseft hij.

„Je leert het vak pas in de praktijk”, vindt zijn partner Willem Wannyn. Hij is een oud-politieagent die al 25 jaar als diereninspecteur werkt. „Ik verleen assistentie aan de korpsen in Noord- en Oost-Gelderland en Twente. Ik probeer de dierenpolitie zo veel mogelijk bagage mee te geven.” Hij doet het graag, maar vindt het tegelijkertijd frustrerend. „Een ander doet nu het werk dat ik altijd deed.” De dierenpolitie stelt voortaan als eerste een onderzoek in en maakt eventueel een proces-verbaal op. Als de politie vindt dat een verwaarloosd dier moet worden weggehaald, dan wordt de inspectie ingeschakeld. Die kan voortaan niet meer ingrijpen via een strafrechtelijke route, maar een bestuursrechtelijke, via de Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Er is vaak lacherig gedaan over de dierenpolitie, een initiatief van PVV-Tweede Kamerlid Dion Graus. Korpschefs hadden er maar weinig zin in. Smulders: „O ja, zeker, er worden grapjes gemaakt – dan heten wij caviapolitie of er wordt gezegd: ga boeven vangen. Maar ik merk ook interesse. En”, zegt hij, „we blijven natuurlijk gewoon politieagenten. Als ik er ergens ben en er gebeurt iets, een overval of een ongeval of zo, dan ga ik daar meteen naartoe.” Wannyn en Smulders wijzen op het belang van hun werk, ook voor mensen. Uit studies is gebleken dat er een relatie bestaat tussen dierenmishandeling en seksueel geweld en mishandeling en verwaarlozing.

Later die dag staan de twee opnieuw met hun schoenen in „de drek”, maar dan op het erf van een wat oudere, vrijgezelle hobbyboer in het buitengebied van Epe. Overal oude troep: volle vuilniszakken, losse stukken afvalhout. In de stallen hangt donkere spinrag in lange slierten van de plafonds naar beneden. Of zoals Wannyn het zegt: „Het is hier een verwaarloosde bende.”

De eigenaar houdt veertien paarden en pony’s, zegt hij zelf. Het blijken er 36 te zijn. Ze staan „te nat”, dat wil zeggen in hun eigen uitwerpselen. In een aantal boxen ligt een dikke laag zwarte blubber. Wannyn is hier al eens eerder is geweest. Dit keer neemt hij geen genoegen meer met de uitvluchten van de man. Op strenge toon: „Wat is er nou zo moeilijk aan het maken van een afspraak voor het kappen van de hoeven?”

De hobbyboer herhaalt steeds dat hij afgedankte paarden de gang naar het slachthuis wil besparen. Als hij ze krijgt aangeboden, neemt hij ze in zijn stallen op. „Maar ik doe het niet meer. Misschien moet ik stoppen.” Die politieauto in de berm bevalt hem niet: „Je bent zo snel besmet.”

De beambten geloven hem niet zo. „Ik heb het idee dat het hem helemaal niet boeit. Dat het er zo bij ligt, is gemakzucht, puur gemakzucht”, zal de inspecteur naderhand zeggen. De twee zijn onverbiddelijk; de hobbyboer krijgt een proces-verbaal wegens „het onthouden van de nodige verzorging”. Ook hij moet actie ondernemen, de dierenarts bellen. Over een paar weken komen Wannyn en Smulders terug.

    • Annette Toonen