'Superrechter'sneuvelt in gepolitiseerde rechtsstaat

Het Spaanse Hooggerechtshof heeft onderzoeksrechter Garzón voor ambtsmisbruik elf jaar geschorst. Volgens velen is het een afrekening door rechts.

Internationaal wordt hij beschouwd als een gevierd voorvechter van de mensenrechten, maar gisteren werd duidelijk hoeveel vijanden Baltasar Garzón tijdens zijn carrière in Spanje heeft gemaakt.

De onderzoeksrechter, beroemd om zijn zijn pogingen de Chileense ex-dictator Pinochet te vervolgen, werd door het Hooggerechtshof in Madrid voor elf jaar uit zijn ambt gezet wegens ambtsmisbruik. Het lijkt een vonnis dat veel zegt over de gepolitiseerde Spaanse rechtsstaat.

Volgens het Hof misbruikte Garzón zijn ambt tijdens zijn onderzoek naar een corruptienetwerk in de centrum-rechtse regeringspartij Partido Popular (PP). Garzón zette twee kopstukken van dit ‘Gürtel’-netwerk vast. Toen zij in hun cel bezoek kregen van hun advocaten, liet hij hun gesprekken afluisteren.

Hierop is hij nu afgerekend. De advocaten klaagden Garzón aan omdat hij de grondrechten van hun cliënten zou hebben geschonden. Garzón stelde dat het afluisteren nodig was om te voorkomen dat de advocaten bewijsmateriaal en geld hielpen wegsluizen. Hij handelde op verzoek van de recherche, en ook het Openbaar Ministerie zag geen probleem.

Het Hof ging hier niet in mee. Unaniem oordeelde het dat Garzón te ver ging. Het verweet hem „praktijken die tegenwoordig alleen in totalitaire regimes gewoon zijn”.

De uitspraak leidde tot zeer verdeelde reacties, zoals Garzón die altijd oproept. Zijn fans vinden hem een ‘superrechter’. Zijn critici noemen hem een mediageile ijdeltuit.

De regering toonde bij monde van de minister van Justitie ,,maximaal respect” voor het vonnis. De centrum-linkse PSOE uitte ,,bezorgdheid”. Mensenrechtenorganisaties en ultralinks spraken van een ,,politieke afrekening”.

Garzón geldt als ‘linkse’ magistraat sinds hij in 1993 kort diende als staatssecretaris namens de socialisten. Hij bevestigde dit imago door in 2008 een omstreden onderzoek te openen naar misdaden tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en daaropvolgende Franco-dictatuur.

Garzón deed dit op verzoek van nabestaanden van gefusilleerde Republikeinen. Hij achtte zich bevoegd tot het onderzoek op basis van jurisprudentie die hij zelf creëerde, in onderzoeken naar mensenrechtenschendingen in Zuid-Amerika.

In eigen land stuitte hij op de afspraak die links en rechts na Franco’s dood in 1975 hadden gemaakt om het bloedige verleden te laten rusten.

Dit pact maakte een vreedzame overgang naar de democratie mogelijk. Ook voor het Franco-onderzoek heeft Garzón terecht gestaan. In deze zaak kan het Hof elk moment een uitspraak doen.

Garzóns veroordeling toont aan dat de overgang naar de democratie niet voorbeeldig is verlopen. Het waren ultrarechtse, neofascistische groeperingen die Garzón voor ambtsmisbruik aanklaagden wegens het Franco-onderzoek.

Een collega-rechter, die naar verluidt wilde afrekenen met de ‘superster’ Garzón, liet die klacht toe. Dit zette de deur open voor een stel andere klachten, zoals die betreffende de Gürtel-taps. Daarmee belandde Garzón in het brandpunt van de gepolitiseerde rechterlijke macht. Rechtse magistraten, velen nog benoemd onder Franco, zijn er in de meerderheid.

In een brief keerde Garzón zich gisteren frontaal tegen het vonnis. Hij signaleert ,,een inspanning om met een bepaalde rechter af te rekenen”. Zijn advocaat kondigde aan in beroep te gaan bij het Constitutionele Hof en bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Toch lijkt Garzón voor Spanje verloren. Hij liet doorschemeren dat hij weg wil uit zijn land. Hij denkt aan adviseurschappen in Latijns-Amerika, waar zijn werk wordt gewaardeerd.

    • Merijn de Waal