Sneller en beter integreren met vrouw en baan

De integratie van niet-westerse groepen vordert langzaam maar gestaag. De werkloosheid en criminaliteit onder jonge mannen zijn de grootste problemen.

Criminaliteit en de hoge jeugdwerkloosheid zijn de grootste problemen voor de integratie in Nederland. Dat concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in een rapport dat deze week verscheen.

Van alle jongens van Marokkaanse afkomst is tweederde tussen hun twaalfde en drieëntwintigste wel eens aangehouden omdat ze verdacht werden van een strafbaar feit. Dit geldt voor meer dan de helft van de Antilliaans-Nederlandse jongens en voor een kwart van de autochtone jongens (cijfers uit 2009). Een aanhouding is nog geen veroordeling. Het is mogelijk dat jongens met een donker uiterlijk eerder worden aangehouden dan een blonde jongen. Maar toch. In 2009 werd bijna 20 procent van de mannen van Marokkaanse afkomst tussen 18 en 24 jaar verdacht van een misdrijf, en 13 procent van de Antilliaanse mannen. Van de minderjarige Marokkaans-Nederlandse jongens (12-17 jaar) werd 13 procent verdacht in 2009.

Vrouwen worden veel minder vaak verdacht van het plegen van een misdrijf. Alleen vrouwen van Antilliaanse afkomst springen er in negatief opzicht uit. Antilliaanse Nederlanders (mannen en vrouwen) gaan ook langer door met crimineel gedrag, schrijft het SCP. Marokkaans-Nederlandse jongens stoppen meestal ergens tussen hun twintigste en dertigste. Niets werkt zo goed tegen criminaliteit als trouwen, een kind en een baan, zo blijkt.

Het criminele gedrag van de Antilliaanse en Marokkaanse jongemannen heeft een slechte invloed op de beeldvorming van de hele groep, schrijft het SCP – werknemers zijn het minst geneigd leden van deze groepen aan te nemen. „Criminaliteit levert dus veel schade op, voor het individu, voor de groep en voor de samenleving als geheel.”

Een ander punt van zorg is de werkloosheid, die onder niet-westerse migranten sneller oploopt dan onder autochtonen: 23 procent van de niet-westerse jongeren (15-24 jaar) is werkloos, tegen 10 procent van de autochtone jongeren. Ruim een kwart van de Marokkaanse en Surinaamse jongeren is werkloos.

Niet-westerse migranten zijn vaker arm, hebben gemiddeld een lager inkomen en zijn vaker afhankelijk van een uitkering en dan autochtone Nederlanders. Eind 2010 had 12 procent van de niet-westerse migranten een bijstandsuitkering, zes maal zo veel als autochtone Nederlanders. Vrouwen, ouderen (vooral de eerste generatie) zijn sterker afhankelijk van een uitkering.

Het SCP zag ook gunstige ontwikkelingen: het opleidingsniveau van migranten stijgt, al gaat het niet snel. De Turks-Nederlandse kinderen hebben nog het vaakst een taalachterstand op de basisschool, omdat er thuis vaker enkel Turks wordt gesproken. Kinderen van niet-westerse komaf gaan vooruit, maar langzaam.

Steeds meer Turks- en Marokkaans-Nederlandse kinderen gaan naar havo en vwo (een kwart in 2010). 30 procent van de Surinaamse en Antilliaanse leerlingen gaat naar havo of vwo. Bij autochtone Nederlandse kinderen is dat de helft. Ze gaan ook vaker naar het hoger onderwijs (hogeschool of universiteit) maar halen minder vaak de eindstreep dan autochtone studenten.

Turkse en Marokkaanse Nederlanders trouwen steeds minder vaak met iemand uit het land van herkomst van de ouders. In 2001 haalde nog de helft een partner uit het buitenland, in 2010 was dat rond de 15 procent.

Vrouwen van Marokkaanse of Turkse afkomst krijgen meestal minder kinderen dan hun moeder – het benadert het aantal kinderen dat autochtone vrouwen krijgen. Ze krijgen die kinderen meestal nog wel met een man die dezelfde achtergrond heeft – gemengde relaties zijn een zeldzaamheid. Bij Turkse Nederlanders 9 procent, bij Marokkaanse Nederlanders 12 procent. Antilliaanse en Surinaamse Nederlanders hebben vaker een gemengde relatie: respectievelijk 40 en 50 procent.

    • Sheila Kamerman