Schuberts sterven zindert bij Ticciati

Rotterdams Philharmonisch Orkest, o.l.v. Robin Ticciati m.m.v. Angelika Kirchschlager, mezzosopraan. Werken van Strauss, Mahler en Sibelius. Gehoord: 9/2, De Doelen Rotterdam; herh.: 10/2 en 12/2

Hoewel zijn Amsterdamse debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest onlangs niet helemaal vlekkeloos verliep, is Robin Ticciati in Rotterdam al enkele jaren een graag geziene gast. De jonge Britse dirigent met de weelderige krullen rekent reuzen als Rattle en Davis tot zijn mentoren en zag inmiddels zo veel superlatieven over zich uitgestort dat de verwachtingen hooggespannen zijn. In de Doelen deed hij gisteren zijn reputatie opnieuw gestand.

Richard Strauss schreef zijn symfonische gedicht Tod und Verklärung, over de doodstrijd van een kunstenaar, toen hij, 25 jaar, aan het begin van zijn carrière stond. Wat weet zo’n jongen nou? Zestig jaar later, op zijn eigen sterfbed, zei Strauss dat doodgaan precies zo was zoals hij het had gecomponeerd. Ticciati (1983) leverde per analogie een soevereine interpretatie van het werk, die zinderde van de eerste tot de laatste noot.

Een veel gruwelijker anachronisme spookt door Mahlers Kindertotenlieder, die hij voltooide in 1904 – een paar jaar vóór de dood van zijn eigen dochter. Angelika Kirchschlager zong de vijf hartverscheurende liederen met grote intensiteit, die helaas wat leed onder de geluidsbalans, waarin het orkest te vaak de overhand kreeg.

Ticciati dirigeert vanuit de kuiten. Verend op zijn voorvoeten, als een surfer op een zee van klank, wijst hij op details en haalt hij lijnen naar voren. Hij is niet bang om risico’s te nemen, en tegenover een enkele uitglijder staan allerlei originele vondsten. Aan Sibelius’ dikgevlochten Tweede Symfonie kon hij zijn hart ophalen, al hield hij de stapeling van climaxen in de enorme finale ternauwernood in toom.